|
2
1
Simon dan, de hogepriester, tegenover het binnenste des tempels de knieën
buigende, en de handen uitstrekkende tot de hemel, deed een zodanig gebed:
2
O Here, Here, o Koning der hemelen en Heerser aller schepselen, gij Heilige in
het heiligdom, gij enige Heerser, gij Almachtige zie ons aan, die verdrukt
worden door een onheilig en goddeloos mens, die zichzelf in stoutheid en
sterkte verhovaardigt.
3
Want gij, die alles geschapen, en aller dingen macht hebt, gij zijt een
rechtvaardig vorst, en die uit wrevel en hoogmoed iets doet, oordeelt gij.
4
Gij hebt degenen die in vorige tijden onrechtvaardigheid bedreven, (onder welke
ook de reuzen waren, die op hun sterkte en stoutheid vertrouwden) vernield,
over hen brengende een onmetelijk water van de zondvloed.
5
Gij hebt de Sodomieten, toen zij allen hovaardigheid werkten, en door hun
boosheden zeer bekend waren, met vuur en zwavel verbrand, hen stellende tot een
voorbeeld aan de komende eeuwen.
6
Gij hebt de trotse Faraö, die uw heilig volk Israël in dienstbaarheid gebracht
had, met verscheidene en vele straffen beproefd, en uw mogendheid zo bekend
gemaakt.
7
Na welke straffen gij uw grote kracht bekend maaktet, en hem, toen hij Israël najaagde
met wagens en menigte der volken, deed zinken in de diepte der zee, maar die op
u, die aller schepselen Here zijt, betrouwden, hebt gij behouden daardoor
gevoerd; welke de werken uwer handen erkennende, u de Almachtige geprezen
hebben.
8
Gij hebt, o Koning, die de oneindige en onmetelijke aarde geschapen hebt, deze
stad uitverkoren, en deze plaats geheiligd u ten naam, hoewel gij geen ding
behoeft; en hebt die verheerlijkt met een zeer heerlijke verschijning, die
beroemd makende ter ere van uw grote en dierbare naam.
9
En uit liefde tot het huis Israëls hebt gij beloofd, indien wij ons van u
afkeerden, en ons enige benauwdheid zou mogen aangrijpen, en wij in deze plaats
kwamen, en aanbaden, gij ons gebed zoudt verhoren.
10
Nu voorwaar, gij zijt getrouw en waarachtig, nademaal gij dikwijls, als onze
vaders verdrukt waren, hen geholpen hebt in hun vernedering, en hen verlost
hebt uit grote ellende.
11
Maar nu, o heilige Koning, zie wij worden vanwege onze vele grote zonden
onderdrukt, en wij zijn onze vijanden onderworpen, en worden in onze
machteloosheid door u voorbijgegaan.
12
En in deze onze val poogt deze stoute en onreine koning deze heilige plaats,
die op de aarde uw heerlijke naam toegeëigend is, smaadheid aan te doen.
13
Want tot uw woning voorwaar, namelijk de hemel der hemelen, kunnen de mensen
niet komen, doch dewijl het uw welbehagen is geweest, dat uw heerlijkheid onder
het volk Israël zij, zo hebt gij deze plaats geheiligd.
14
Wreek ons niet door de onreinheid van deze mensen, en straf ons niet door hun
onheiligheid, opdat de ongerechtigen in hun gemoed niet roemen, noch in hunner
tongen hoogmoed vrolijk zijn, zeggende: Wij hebben het huis van het heiligdom
met voeten getreden, gelijk de huizen der gruwelen vertreden worden.
15
Wis onze zonden uit, en verstrooi onze dwalingen, en betoon uw barmhartigheid
te dezer tijd. Laat uw ontferming snel ons overkomen, en geef lof in de mond
dergenen die nedergevallen en gebroken zijn van harte, ons namelijk vrede
gevende.
16
Hier heeft God, die alles ziet, en boven alles heilig is, in het heiligdom dit
rechtvaardig gebed verhoord, en heeft hem gegeseld, die zichzelf met smaad en
trotsheid grotelijks verheven had, hem aan alle zijden slingerende gelijk het
riet van de wind, zodat hij nu op de vloer lag, machteloos, en ook lam aan zijn
leden, noch spreken kon, overmits hij door het rechtvaardig oordeel Gods geheel
verstrikt was.
17
Daarom werden beide zijn vrienden en lijfwachten, als zij de snelle straf
zagen, die hem had aangegrepen, met zeer grote vrees verslagen, en vrezende,
dat hij ook het leven zou verliezen, trokken zij hem terstond uit de tempel.
18
Maar als hij een wijle daarna weder tot zichzelf kwam, hoewel door God gestraft
zijnde, kwam hij geenszins tot berouw, maar hij trok weg met scherpe
dreigementen.
19
Toen hij nu in Egypte kwam, en zijn boosheid vermeerderde, en met hulp van zijn
medehelpers en metgezellen, die tevoren aangewezen zijn, en van alle
gerechtigheid afgezonderd waren, zo heeft hij niet alleen zichzelf met
ontelbare ontuchtigheden verzadigd, maar hij is ook tot zo grote vermetelheid
voortgegaan, dat hij lasteringen in alle plaatsen tegen het volk zaaide, en dat
velen van de vrienden, lettende op des konings voorstel, ook zelf zijn wil
volgden.
20
En hij nam voor openlijk dit volk smaadheid aan te doen; in een toren bij het
hof liet hij een pilaar oprichten en dit schrift insnijden, dat niemand onder
hen die niet offerde, in hun tempels zou ingaan, maar dat al de Joden, onder
het volk beschreven, tot een slaafse staat weggevoerd zouden worden; en zo wie
zou mogen tegenspreken, dat men die met geweld zou aantasten, en van het leven
beroven.
21
Dat men ook, die opgeschreven werden, zou tekenen, en dat met vuur aan hun
lichaam, namelijk met een klimopblad, het wapen van Bacchus, die men ook zou
afzonderen tot de vrijheid, hun tevoren bestemd.
22
En opdat hij niet zou schijnen op alle Joden verstoord te zijn, zo liet hij
daaronder schrijven, dat zo enigen onder hen verkozen om te gaan met de priesters,
dezen gelijk burgerrecht zouden hebben met de burgers van Alexandrië.
23
Sommigen nu, die in de stad de trappen der godzalige stad haatten, gaven zich
licht over, alsof zij enige grote eer zouden deelachtig worden, om de gemeenschap,
die zij zouden hebben met de koning.
24
Doch de meesten bleven standvastig, en weken niet af van de godzaligheid; en
voor het leven onbeschroomd geld in de plaats biedende, poogden zij zichzelf
van het opschrijven te bevrijden, en zij hadden goede hoop, en vertrouwen dat
zij hulp zouden verkrijgen.
25
En die van hen afweken waren hun een gruwel, en zij hielden hen als vijanden
van hun volk, en beroofden hen beiden van hun gemeenzame omgang en voorrechten.
|