|
5
1
Toen heeft de koning, vol van grote toom, en door grimmigheid geheel
onverzettelijk, Hermon, wie de zorg der olifanten bevolen was, tot zich
geroepen, en geboden dat hij de volgende dag al de olifanten, die vijfhonderd
in getal waren, vele handen vol wierook zou te drinken geven en veel ongemengde
wijn; en als zij door het overvloedig geven van die drank verwoed zouden zijn,
dat men hen de Joden tegemoet zou voeren om hen te doden.
2
En als hij dit gelast had, begaf hij zich weder tot goede sier te maken, en
vergaderde de voornaamsten zijner vrienden en krijgsoversten, die tegen de
Joden vijandig gezind waren; de overste nu der olifanten, Hermon, volbracht
vaardig wat hem belast was.
3
Daarenboven gingen tegen de avond de dienaars uit, en bonden de handen der
ellendige Joden, en bedachten voorts wat te doen was om hen te verzekeren,
menende dat dit geslacht tegelijk des morgens een einde zou nemen en uitgeroeid
worden.
4
Doch de Joden, die voor de heidenen van alle hulp schenen ontbloot te zijn,
omdat zij alom met banden en benauwdheid omvangen waren, hebben allen de
almachtige Here, en de heerser over alle macht, hun barmhartige God en Vader,
met tranen, zonder ophouden met hun stemmen aangeroepen, biddende dat hij de
goddeloze raad tegen hen genomen wilde afkeren, en hen uit de dood, die voor
hun voeten bereid was, met een heerlijke verschijning verlossen.
5
En hun gedurig gebed klom op in de hemel. Hermon nu, als hij de wrede olifanten
drinken had gegeven, en met het geven van veel wijn vervuld, en met wierook
verzadigd had, kwam des morgens vroeg tot des konings hof, om de koning deze
zaken te kennen te geven.
6
Maar God heeft een slaap (de goede beschikking van het begin der wereld aan,
hetwelk bij nacht en bij dag door hem bestierd wordt, als die het aan allen
schenkt wie hij wil) gezonden tot de koning.
7
En door de krachtige werking des Heren werd hij met een zeer zoete en diepe
slaap bevangen, en zijn onrechtvaardig voornemen mislukte hem zeer, en in zijn
onverzettelijk besluit werd hij grotelijks bedrogen.
8
Als nu de Joden die tevoren betekende ure ontkomen waren, prezen zij hun
heilige God; en zij baden hem weder, die zich lichtelijk laat verzoenen, dat
hij de sterkte van zijn machtige hand aan de hoogmoedige heidenen wilde tonen.
9
Als het nu omtrent half tien was, en als degene die gesteld was om gasten te
noden, zag dat de genoden sterk aankwamen, ging hij in tot de koning, en stiet
hem aan, en hem nauwelijks opgewekt hebbende, vertoonde hij hem, dat de
bestemde tijd van de maaltijd voorbijging, terwijl hij met hem woorden hierover
wisselde; welke rede, de koning bedenkende, keerde zich ter maaltijd, en deed
degenen, die ter maaltijd gekomen waren, tegenover hem aanzitten.
10
En dit gedaan zijnde, vermaande hij hen zichzelf goed te verlustigen, en de
tegenwoordige maaltijd zeer blij te houden, en in vrolijkheid door te brengen.
11
Als nu het gesprek meer en meer voortging, zo riep de koning Hermon tot zich;
en hij vroeg hem met een bitter dreigement, waarom men de Joden die dag nog in
het leven had gelaten.
12
En toen hij aanwees, dat hij diezelfde nacht het bevel had volbracht, en zijn
vrienden zulks ook getuigden, sprak hij, die meerder wreedheid had dan Falaris,
dat zij dit aan de huidige slaap mochten toeschrijven.
13
Maar zeide hij: Bereid zonder oponthoud op gelijke wijze tegen de volgende dag
de olifanten tot het verderf der gruwelijke Joden.
14
Toen nu de koning dit gezegd had, prezen allen die daar tegenwoordig waren hem
tegelijk, gaarne en met blijdschap, en keerden een ieder weder naar zijn eigen
huis; en zij gebruikten de tijd van die nacht niet zozeer om te slapen, als wel
om allerlei bespottingen tegen deze, zo men meende, ellendige te bedenken.
15
Zodra nu de haan des morgens vroeg kraaide, wapende Hermon die grote beesten,
en bewoog ze in die grote plaats; en het volk uit de ganse stad vergaderde tot
dit zeer ellendig schouwspel, en verwachtte met verlangen de morgenstond.
16
Maar de Joden waren die ganse tijd in hun gemoed bekommerd; met vele tranen,
met gebeden, en met weemoedige gezangen strekten zij de handen uit tot de
hemel, en baden de opperste God, dat hij hen weder haastig wilde helpen.
17
De stralen van de zon verspreidden zich nog niet, en Hermon, als de koning de vrienden
ontving, stond bij hem, en riep om uit te gaan, en wees aan, dat des konings
voornemen nu gereed was.
18
Maar als hij dit vernam en in het goddeloos uitgaan terneder geslagen werd, zo
vroeg hij (als die in alles door God met onwetendheid bevangen was) wat dat
voor een zaak was, waarom hij dit met zulk een haast verricht had; doch dit was
de krachtige werking Gods, die over alles heerst, die in het verstand een
vergetelheid gelegd had van hetgeen tevoren bij hem bedacht was.
19
Hermon en al de vrienden toonden hem en zeiden: O koning, de grote beesten en
het heer, zijn naar uw heftig voornemen, bereid.
20
Maar hij werd om dezer woorden wil vervuld met grote grimmigheid, overmits al
zijn gedachten aangaande deze dingen, door Gods voorzienigheid verstrooid
waren, en op hem de ogen houdende, sprak hij met veel dreigen.
21
Zo vele ouders, of kindskinderen als er bij mij komen zullen, die zullen
zichzelf voor de wrede beesten tot een overvloedige spijs bereid hebben, en
slaan inplaats van de onschuldige Joden, die hun gestadige en standvastige
trouw aan mij, en mijn voorouders, uitnemend bewezen hebben; hoewel (indien ik
het niet liet om de liefde van dat wij tezamen opgevoed zijn, en om uw dienst)
gij Hermon in hun plaats van uw leven nul behoort beroofd te worden.
22
Zo verdroeg Hermon zulk een onverwacht en vervaarlijk dreigement; en hij
ontzette zich in zijn gelaat en aangezicht; en de een voor, de ander na van de
vrienden werden droevig van gelaat, en schaamrood, en lieten degenen, die daar
vergaderd waren, heengaan, een ieder tot zijn arbeid.
23
En de Joden, deze dingen van de koning verstaan hebbende, prezen de heerlijke God,
de Here en Koning der koningen, als die ook deze hulp van God verkregen hadden.
24
Als nu de koning naar deze zijn wijze van doen weder een maaltijd aangericht
had, zo vermaande hij dat men zich zou begeven tot vrolijkheid, en hij riep
Hermon tot zich, en sprak met dreigen: O gij ellendige, hoe dikwijls moet men
een en hetzelfde gelasten? wapen immers nu eenmaal tegen morgen de olifanten
tot het verderf der Joden.
25
Maar de bloedvrienden, die daar mede aanzaten, over zijn ongestadig gemoed zich
verwonderende, spraken deze woorden: O koning, hoe, lang verzoekt gij ons als
onverstandigen? gij hebt nu ten derden male gelast hen uit te roeien, en weder
op de daad zo herroept gij, uit verandering, wat gij bevolen hebt;
26
Waarom de stad door het verwijlen in oproer is, en vol van samenscholing, zodat
zij dikwijls in gevaar is geweest van geplunderd te worden.
27
Zo heeft de koning, die in alles een tweede Falaris was, vol onverstand zijnde,
en niets achtende de veranderingen van zijn gemoed, die in hem door God, tot
verschoning der Joden, waren geschied,
28
Met een zeer onreine eed vast gezworen, dat hij niet alleen dezen zonder enig
verwijl wilde straffen, met de knieën en voeten dezer wrede beesten, en zo ten
grave zenden, maar ook tegen Judea een heerleger voeren, en het land snel te
vuur en te zwaard te gronde werpen, en hun heiligdom, waar zij de offeranden
offerden daar wij niet mogen ingaan, zeide hij in der haast met vuur
verbranden, en te allen tijd in de as laten liggen.
29
Toen zijn de vrienden en magen zeer blijde geworden, met vertrouwen vertrokken
en zij bestelden het krijgsvolk op al de geschiktste plaatsen der stad tot
bewaring.
30
En de overste der olifanten heeft de beesten met zeer welriekende dranken, en
wijn met wierook gemengd, bijna om zo te zeggen in een razende gestalte
gebracht, ze schrikkelijk, omtrent de morgenstond, versierende en
toebereidende; en toen nu de stad langs de rijplaatsen met talloze menigten van
mensen vervuld was, is hij naar het hof gegaan, en heeft de koning tot de
voorgenomen zaak aangepord.
31
Toen is hij, zijn goddeloos hart met grote grimmigheid vervallende, in allerijl
met de beesten uitgelopen, als die zelf met een wreed gemoed, en met zijn ogen
wilde aanschouwen de moeilijke en jammerlijke ondergang dergenen, waarvan
tevoren gesproken is.
32
Als nu de Joden het stof van de olifanten, die de poort uitkwamen, en van het
gewapende heerleger, dat volgde, en van het gaan des volks zagen, en een
gruwelijk geluid en getuimel hoorden, zo meenden zij, dat dit voor hen het
laatste ogenblik van hun leven was, en het einde der ellendige verwachting.
33
En zij keerden zich tot geklag en kusten en omhelsden elkander, en vielen de
bloedverwanten, de vaders, namelijk hun zonen, en de moeders haar dochters, om
de hals;
34
En anderen hadden de jonggeboren kinderen aan de borsten, om de laatste melk te
zuigen.
35
Doch wederom, als zij gedachten de verlossingen, die hun uit de hemel tevoren
geschied waren, zijn zij eendrachtig op hun aangezichten gevallen, en deden de
kinderen van de borsten, en riepen met zeer luide stem, en baden de Here aller
schepselen, dat hij zich over hen met een heerlijke verschijning wilde
ontfermen, die nu in de poorten des doods gesteld waren.
|