|
6
1
En een zekere Eleazar, een voortreffelijk man, een uit de priesters van het
land, die nu in ouderdom tot zijn jaren gekomen, en met alle deugd in dit leven
versierd was, stelde de ouden rondom zich, om de heilige God met hem aan te
roepen, en bad aldus:
2
O machtige Koning, gij opperste en almachtige God, die alle geschapen dingen in
ontferming regeert, aanzie het zaad van Abraham, en zie op de kinderen van de
geheiligde Jakob, het volk van uw geheiligd erfdeel, dat in een vreemd land een
vreemdeling is, en onrechtvaardig vernield wordt, o Vader!
3
Gij hebt Farao, die vele wagens had, en in vorige tijden heer was van dit
Egypte (als hij zich verhief met een onbarmhartige stoutheid, en met een
grootsprekende tong) in de zee gestort met zijn hovaardige heerkracht en
verdelgd, en het geslacht Israëls een licht van uw barmhartigheid betoond.
4
Gij hebt de machtige koning van Assyrië, Sanherib, die op zijn talloze
heerkrachten pochte en met de spies het ganse land onder zijn gebied gekregen
had, en zich verhief tegen uw heilige stad, en uit opgeblazenheid, en stoutheid
lasterlijke woorden sprak, gij, Here, hebt hem gebroken en aan vele heidenen uw
macht openlijk bewezen.
5
Gij hebt de drie metgezellen, die in Babylonië waren, en hun lichamen gewillig
aan het vuur overgaven, om niet te dienen de ijdele afgoden, verlost, en de
zeer doorgloeide oven als met een dauw begoten, dat niet een haar aan hen
gekrenkt is, maar gij zondt de vlam tot al hun tegenpartijders.
6
Gij hebt Daniël, die door nijdige beschuldigingen in de kuil de leeuwen
voorgeworpen was, tot spijs der wilde dieren, onbeschadigd weder in het licht
gebracht; en gij hebt, o Vader, Jona, die in de buik van een walvis, die zich
in de diepte ophoudt, gestadig als versmolt, ongekwetst aan al zijn huisgenoten
vertoond.
7
Nu dan, o God, gij vijand van overlast, gij barmhartige, gij beschermer aller
dingen, verschijn haastig degenen, die van het geslacht Israëls zijn, hetwelk
door deze gruwelijke en goddeloze heidenen smaadheid aangedaan wordt.
8
En indien ons leven met ongodsdienstigheid in onze vreemdelingschap bevangen
is, verlos ons toch van de hand dezer vijanden, en gij zelf, Here, verderf ons
met de dood, zoals het u believen zal.
9
Laat hen, die maar ijdelheid bedenken, niet zegenen de ijdele afgoden, als gij
uw geliefden verderft, en zeggen: Ook hun God heeft hen niet verlost.
10
Maar gij eeuwige Here, gij die macht hebt, zie ons nu aan.
11
Ontferm u onzer, wij die door het goddelozen, alsof wij verraders waren,
worden.
12
Gij heerlijke God, laat toch de verwinnelijke macht met verschrikken zich
verwonderen, gij die macht hebt over het behouden van het geslacht van Jakob.
13
U bidt de ganse menigte der, jonge kinderen, en hun ouders, en dat met tranen;
laat het alle volken blijken, dat gij met ons zijt, Here, en dat gij uw
aangezicht van ons niet hebt afgewend;
14
Maar gelijk gij gezegd hebt, dat gij hen, ook zijnde in het land hunner
vijanden, niet veracht hebt, zo volbreng het, o Here.
15
Toen nu Eleazar van het gebed ophield, kwam de koning met de beesten, en het
gruwelijk heerleger aan het renperk.
16
En de Joden, dat aanschouwende, hieven een groot geroep op naar de hemel, zodat
de bijliggende valleien mede een weerklank gaven, en het ganse heer tot een
onbedwingelijk schreien bewogen werd.
17
Toen heeft de zeer heerlijke, almachtige, en waarachtige God zijn heilig
aanschijn vertoond, en de poorten van de hemel geopend; uit welke twee
heerlijke engelen, schrikkelijk in gedaante, afkwamen, die van allen gezien
werden, nevens de Joden.
18
En zij deden weerstand, en zij vervulden het heerleger der vijanden met
ontroering en verschrikking, en verstrikten hen met onbewegelijke boeien, en
ook des konings lichaam werd geheel sidderende, en hij vergat zijn toornige en
grote stoutmoedigheid.
19
En de beesten keerden zich om naar de volgende gewapende heerlegers, en
vertrapten en vernielden hen.
20
En des konings toorn werd veranderd in barmhartigheid en tranen, vanwege de
dingen, die hij tevoren tegen hen bedacht had.
21
Want als hij het geschreeuw hoorde en aanmerkte dat zij allen ten verderve
voorover vielen, zo weende hij en dreigde met gramschap zijn vrienden,
zeggende: alle sterkheid en alle onredelijk ongelijk der van ons leven beroofd
heidenen over uw on
22
Gij misbruikt de koning, en hebt de tirannen in wreedheid overtroffen, en gij
neemt voor ook mijzelf, die uw genadige heer ben, mijn rijk en leven te
benemen, heimelijk aanrichtende hetgeen het rijk niet bevorderlijk is.
23
Wie heeft dezen, die de sterkten van ons land getrouw bewaarden, zo onredelijk
een ieder van zijn huis afgevoerd en herwaarts verzameld?
24
Wie heeft dezen, die van den beginne aan in goedwilligheid tot ons in alles
alle volken te boven gaan, en dikwijls de ergste gevaren der mensen uitgestaan
hebben, met zulke ongeoorloofde straffen beladen?
25
Ontbindt, ontbindt de onrechtvaardige handen, zendt hen terug met vrede naar
hun plaatsen, en bidt af hetgeen door u jegens hen tevoren gedaan is. Laat los
de kinderen van die almachtige, hemelse en levende God, die van onze voorouders
af tot nu toe onze zaken een voorspoedige en heerlijke welstand verleent.
26
En dit sprak de koning; en zij werden van stonden aan ontbonden, en loofden de
heilige God, hun behouder, als zij de dood ontkomen waren.
27
Daarna keerde de koning weder in de stad, en riep tot zich de ontvanger van
zijn inkomsten en gelastte aan hen, zeven dagen lang, wijn en wat voorts om
feest te houdig nodig was, uit te reiken; goedvindende dat zij in die plaats,
in welke zij meenden het verderf te gevoelen nu met alle vrolijkheid de
feestdagen van hun behoud zouden houden.
28
Toen hielden zij (die tevoren versmaadheid leden, en nabij het graf, ja veel
meer daarin gegaan waren), in plaats van een bittere en zeer beklagelijke dood
te sterven, een maaltijd des behouds, en vervuld met blijdschap, deelden zij de
plaats af, die hun ten val en ten grave bereid was, in verscheidene
gezelschappen.
29
En zij hielden op van het droevig klaaglied, en hieven weder aan de lofzangen
hunner vaderen, God de behouder en wonderwerker prijzende; en zij weerden van
zich al het treuren en zuchten, en stelden vrolijke reien aan tot een teken der
vreedzame blijdschap.
30
Desgelijks hield ook de koning om dezer zaken wil een grote maaltijd, en loofde
God in de hemel zonder ophouden en zeer heerlijk, over die onverwachte
verlossing, die hem geschied was.
31
En degenen, die tevoren hen ten verderve, en om te zijn een aas der vogelen
gesteld en met blijdschap opgeschreven hadden, die zuchtten nu, en waren met
schaamte in zichzelf vervuld, omdat hun snorkende stoutheid met oneer uitgeblust
was.
32
Maar de Joden gelijkerwijs wij tevoren gezegd hebben, hielden de voorzegde
reien met vreugde, en brachten de tijd door met vrolijke dankzeggingen en
psalmen.
33
En zij maakten daarvan een algemene wet, en besloten dat men in al hun woningen
van eeuw tot eeuw de voornoemde dagen, in vreugde zou houden, niet om enige
drinkerij en brasserij, maar om de verlossing, die hun van God geschied was.
34
Daarna gingen zij tot de koning en verzochten verlof om naar huis te gaan.
35
De dienaars nu van de koning hadden hen beschreven van de vijfentwintigste dag
van de maand Pachon tot de vierde van de maand Epif toe, veertig dagen lang; en
zij hadden besloten, hen om te brengen van de vijfde van de maand Epif tot de
zevende toe, drie dagen lang; in welke ook de heerser aller schepselen zijn
barmhartigheid zeer heerlijk bewezen, en hen allen tezamen ongedeerd verlost
heeft.
36
Zij hebben dan de maaltijd gehouden, en alles is hun door de koning toegereikt,
tot de veertiende dag toe;
37
Op welke zij ook met hem gesproken hebben over hun vertrek; en de koning hen
prijzende, schreef met grootmoedigheid voor hen de volgende brief, aan de
stadhouders in elke stad, hebbende deze inhoud:
|