|
7
1
De koning Ptolomeüs Filopator wenst de stadhouders in Egypte, en allen die over
des lands zaken gesteld zijn, geluk en voorspoed; wij en onze kinderen varen
ook nog wel.
2
Als de grote God voor ons de zaken gelukkig bestierde gelijk wij wensten, zo
hebben sommigen onzer vrienden, gedreven door boosaardigheid, zeer dikwijls bij
ons aangehouden, en ons ook overreed, dat wij de Joden die in ons koninkrijk zijn,
op een hoop zouden doen bijeenkomen en hen met vreemde straffen, gelijk
afvalligen, straffen.
3
En zij gaven voor, dat onze zaken nimmer een goede stand zouden hebben, om de
vijandschap, welke dezen tegen alle volken hebben, totdat dit zou volbracht
zijn.
4
Dewelke hen ook gebonden, en met veel overlast herwaarts gebracht hebben,
gelijk slaven, ja veel meer gelijk verraders, en gepoogd, zonder enige
ondervraging en onderzoeking, te doden zijnde verstrikt met onstuimige
wreedheid, als de Scyten plegen te gebruiken.
5
En wij, hoewel hen over deze zaken zeer hard dreigende, als wij naar de
goedertierenheid, die wij hebben jegens alle mensen, hun nauwelijks het leven
konden schenken, en erkenden, dat de hemelse God zeker de Joden beschermde, en
te allen tijde voor hen, als een vader voor zijn kinderen, streed; ook
overleggende de vriendschap, waarmede zij ons en onze voorouders een vaste
goedwilligheid bewijzen, zo hebben wij hen met recht vrijgesproken en spreken
hen vrij van alle beschuldiging, hoedanig die ook zij.
6
En wij hebben een ieder gelast, en gelasten dat zij tot al het hunne mogen
wederkeren, en dat niemand in enige plaats hun enigszins leed doe, noch iets
verwijte over hetgeen hun buiten recht en reden wedervaren is.
7
Want gij zult weten, is het dat wij tegen hen iets kwaads zullen bedenken of
hen enigszins zullen bedroeven, dat wij niet een mens, maar de hoogste God, de
heerser aller mogendheid, alle tijd in alles onvermijdelijk tot onze
wederpartij zullen hebben, tot wraak van zulk een doen. Vaartwel.
8
Als de Joden deze brief ontvangen hadden, haastten zij zich niet om terstond te
vertrekken, maar zij baden de koning, dat degenen, die uit het geslacht der
Joden willens en wetens de heilige God en de wet van God verlaten hadden, door
hen mochten ontvangen behoorlijke straf.
9
En zij wendden voor, dat, die om des buiks wil de Goddelijke geboden overtreden
hadden, nimmer welgezind zouden zijn tot de geboden des konings.
10
En hij begreep, dat zij de waarheid zeiden, en prees hen ook, en gaf hun macht
over alle zodanigen dat zij degenen, die de wet Gods overtreden hadden, in alle
plaatsen van zijn koninkrijk vrij zonder enige verdere koninklijke macht of
onderzoek, zouden uitroeien.
11
Toen hebben zij de koning (gelijk het betaamde) gedankt; en hun priesters, en
de gehele menigte riepen: Hallelujah, en zij vertrokken met blijdschap.
12
En zo straften zij hun medeburgers, die zich verontreinigd hadden, en die op de
weg in hun handen vielen, en zij sloegen hen dood na hen vele openbare
smaadheden aangedaan te hebben.
13
En op die dag sloegen zij over de driehonderd mannen dood, en maakten vreugde,
met blijdschap de onheiligen dodende.
14
Maar zij, die tot de dood toe zich aan God hadden gehouden, als zij nu de
volkomen genieting hunner behoudenis verkregen hadden vertrokken gelijk uit de
stad met allerlei zeer welriekende bloemen bekroond, met blijdschap en gejuich;
en zij dankten met lofliederen en zoete lofzangen de God hunner vaderen, de
heilige verlosser Israëls.
15
Als zij nu gekomen waren tot de stad Ptolomaïs, om de eigenschap der plaats
genaamd Rhodoforos, waar op hen een vloot, naar hun algemeen goedvinden zeven
dagen lang wachtende was, hielden zij daar een vreugdemaaltijd van hun behoud,
want de korting beschikte goedwillig aan een ieder alle nooddruft tot de reis,
totdat zij thuis kwamen.
16
En toen zij te Ptolomaïs met vrede gekomen waren, in behoorlijke dankzegging,
zo hebben zij daar ook besloten, dat zij op gelijke wijze daar met vrolijkheid
die dagen wilden vieren, zolang zij in vreemdelingschap leefden.
17
Aan welke zij ook tot een heilig gebruik in een gedachtenis pilaar gewijd
hebben, die in de plaats van de maaltijd oprichtende, en met het gebed
zegenende. En zo vertrokken zij te land en ter zee, en over de rivieren, een ieder
naar zijn huis ongedeerd, vrij en zeer vrolijk, als die door des konings gebod
behouden waren en zij hadden meer macht tegen hun vijanden, dan tevoren, met
heerlijkheid en vrees.
18
En zij werden door niemand enigszins van hun goederen verstoten, maar zij allen
kregen allen het hunne uit de aantekening weder, zodat die iets van het hunne
hadden, het aan hen met zeer grote vrees wedergaven, overmits de opperste God
grote daden tot hun behoud gedaan had.
19
De Verlosser Israëls zij te prijzen in der eeuwigheid. Amen.
|