Chapter, Paragraph
1 I,1 | 1. De nieuwe evangelisatie,
2 I (5) | Redemptoris missio, 1.~
3 I (6) | van God te worden’ (Joh 1,12) geeft."~
4 I (7) | leven van de priesters, 1, 3, 6; Congregatie voor
5 I,2 | woord en daad" (vgl. Hnd 1,1) wijdde de Messias zijn
6 I,2 | woord en daad" (vgl. Hnd 1,1) wijdde de Messias zijn
7 I (18) | Herderlijke regel, II, 1.~
8 I (21) | Domingo, 12 oktober 1992), 1; vgl. Postsynodale apostolische
9 I,2 | bezinnen op hoofdstuk I~1. Leeft in onze kerkelijke
10 I (28) | 1983), in: Insegnamenti VI, 1 (1983), 698; Pastores dabo
11 II,1 | 1. De priester, leraar van
12 II,1 | onzichtbare God (vgl. Kol 1,15; 1 Tim 1,17) uit de overvloed
13 II,1 | onzichtbare God (vgl. Kol 1,15; 1 Tim 1,17) uit de overvloed
14 II,1 | God (vgl. Kol 1,15; 1 Tim 1,17) uit de overvloed van
15 II,1 | ieder die erin gelooft" (Rom 1,16), een redding die eens
16 II,1 | Zoon te verkondigen" (Rom 1,9). De priester mag hieraan
17 II (36) | Constitutie Laudis canticum (1 november 1970), 8, in: aas
18 III | van Gods geheimen" (1Kor 4,1)~
19 III,1 | 1. "In persona Christi Capitis"~"
20 III (52)| in: Insegnamenti XVI, 1 (1993), 1061.~
21 III (55)| in: Insegnamenti XVI, 1 (1993), 1197 (verder aangeduid
22 IV | zijn schapen" (Joh 10,11)~1. Met Christus, om de barmhartigheid
23 IV,1 | verbonden blijft" (Joh 15,1.4) hebben tegelijk ook betrekking
24 IV (91) | Theologiae, III, q. 83, a 1, ad 3.~
25 IV,2 | eeuwige Priester (Heb 5,1-10; 7,24; 9,11-28), worden
26 IV (97) | 2, in: Insegnamenti XVI, 1 (1993), 1254.~
27 IV (103)| Augustinus, Ep. 134, 1, in: csel, 44, 85.~
28 IV (104)| in: Sacrum Ministerium 1 (1995), 64; Instructie over
29 IV (108)| in: Insegnamenti XVI, 1 (1993), 938; Directorium
30 Slot | Epistula ad Romanos IV, 1) tot heil van zijn broeders
31 Slot | mens verlicht (vgl. Joh 1,9). Mogen de priesters,
|