Chapter, Paragraph
1 I,2 | 29). Dit gezag ontleende Hij natuurlijk allereerst aan
2 I,2 | objectieve geestelijk gezag dat hij krachtens zijn wijding bezit15
3 I,2 | het subjectieve gezag dat hij ontleent aan zijn oprechte
4 I,2 | voorhield is nog steeds geldig: "Hij (de geestelijke herder)
5 I,2 | van nut in zijn woord; hij moet allen nabij zijn door
6 I,2 | die het goede doet moet hij nederig bijstaan, maar omwille
7 I,2 | voor de gerechtigheid dient hij onwrikbaar op te komen tegen
8 I,2 | uitwendige bezigheden mag hij de zorg voor zijn inwendig
9 II,1 | toewijding aan het Woord dat hij predikt, een toewijding
10 II,2 | mensen voor te houden want Hij alleen, "de laatste Adam,
11 II,2 | en sterk in de hoop snelt hij de verrijzenis tegemoet".39~
12 II,2 | gelovigen vreedzaam concurreren; hij moet zijn boodschap dus
13 II,2 | brengen. Niet alleen moet hij in apostolische geest deskundig
14 II,2 | massamedia, maar vooral moet hij ervoor zorgen dat het niveau
15 II,2 | beantwoordt aan het Woord dat hij predikt. Bij de media bereiden
16 II,2 | predikant, die weet wat hij wil zeggen en hoe het te
17 III,1| vooral door de wijze waarop hij de sacramenten hoogacht
18 III,1| Jezus de apostelen. Zo wil Hij ook ons noemen, die dankzij
19 III,1| herhalen de woorden die Hij heeft uitgesproken over
20 III,1| consecratie tot stand gebracht die hij tot stand bracht. Kan er
21 III,1| liefde en godsvrucht waarmee hij celebreert, en dat ze van
22 III,1| kunnen leren bidden, terwijl hij ook Gods genade zal weten
23 III,1| roepen over hen voor wie hij als pastor verantwoordelijk
24 III,1| verantwoordelijk is. Zo zal hij mensen tot bekering en tot
25 III,1| effent, ook dan wanneer hij met zware schuld beladen
26 III,1| roepingenpastoraal. ... Hij zal geschikte initiatieven
27 III,1| ook de gemeenschap waarvan hij herder is, zal het bemerken." 77~"
28 III,1| sacramenteel gebeuren is wanneer hij de absolutie geeft, heeft
29 III,1| de absolutie geeft, heeft hij bij de andere biecht-handelingen
30 III,1| vergiffenis schenkt. Tegelijk moet hij van de door de biecht geboden
31 III,1| vragen te stellen waardoor hij er zich van kan vergewissen
32 III,1| het sacrament geldig is. Hij moet de penitent helpen
33 III,1| leven te beteren. Steeds zal hij de penitent enige bemoedigende
34 III,1| boetvaardigheid te verrichten waarmee hij niet alleen voldoening geeft
35 IV | hebben op de mens, dan moet hij over zijn wezen, handelen
36 IV | Op het eigen moment dat Hij zijn messiaanse opdracht
37 IV | van God, die liefde is; Hij wordt het teken van de Vader.
38 IV | verlossing kan opdragen. Hij moet dus leren denken en
39 IV | als zijn Meester en, zoals Hij, als gave voor zijn broeders
40 IV | broeders en zusters leven. Hij moet daarom leren zich intiem
41 IV,1 | hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad, en
42 IV,1 | heeft ons liefgehad, en Hij heeft zijn Zoon gezonden
43 IV,1 | tegenwoordig bij de mensen, Hij de herder die "niet gekomen
44 IV,1 | de Kerk en haar zending.~"Hij heeft ons lief, en Hij heeft
45 IV,1 | Hij heeft ons lief, en Hij heeft zijn bloed vergoten
46 IV,1 | peccatis in sanguine tuo. Hij heeft zichzelf voor ons
47 IV,2 | Door zijn voorbeeld heeft Hij de eerste norm bepaald voor
48 IV,2 | bejegenen; steeds weigert hij in dienst te staan van een
49 IV,2 | ideologie of kliek, 100 en hij zal niet volgens de "gunst
50 IV,2 | evangelies blijkt schrikt Hij nooit terug voor de met
51 IV,2 | munus regendi: steeds zal hij ernaar moeten streven zijn
52 IV,2 | Uit herderlijke liefde mag hij daarom niet vrezen zijn
53 IV,2 | op al de gebieden waarop hij dat moet doen, want daartoe
54 IV,2 | moet doen, want daartoe is hij in gezag gesteld. Zelfs
55 IV,2 | te onttrekken. Want als hij zijn gezag niet uitoefent
56 IV,2 | gezag niet uitoefent schiet hij tekort in het dienen. In
57 IV,2 | met alle gelovigen moet hij in de uitoefening van zijn
58 IV,2 | zijn wijze van doen waarbij hij niet over zaken die onder
59 IV,2 | burgerlijk gezag, dient hij wel te beseffen dat hij
60 IV,2 | hij wel te beseffen dat hij er nederig bij moet blijven,
61 IV,2 | bij moet blijven, en dat hij zich op de juiste wijze
62 IV,2 | Christus toe, want alleen Hij heeft hen tot eer van de
63 IV,2 | vrijgekocht. Zo is ook alleen Hij Meester over de bovennatuurlijke
64 IV,2 | gaven. Als zodanig heeft hij niet het recht om deze te
65 IV,2 | goeddunken gestalte te geven. 107 Hij heeft bijvoorbeeld niet
66 IV,2 | aandacht te schenken omdat hij ze moeilijker te aanvaarden
67 Slot | armoede constateren waarin hij als priester leeft; 114
68 Slot | wanneer ze zien dat hij op juiste, ordelijke manier
69 Slot | menselijke wijze waarop hij de mensen, ook de allereenvoudigsten,
70 Slot | niet hartverwarmend zoals Hij onderweg met ons sprak en
71 Slot | heilsgeschiedenis: "Wat Hij ook beveelt, doet u het
|