|
Inleiding
De op de vruchtbare bodem van de grote katholieke traditie ontstane en
gegroeide leer beschrijft de priester als de leraar van het Woord, de
bedienaar van de sacramenten en de leider van de hem toevertrouwde christelijke
gemeenschap. Deze leer vormt een uitgangspunt voor bezinning op zijn
identiteit en zending binnen de Kerk. In het licht van de nieuwe
evangelisatie waartoe de heilige Geest alle gelovigen bij monde van de
persoon en het gezag van de paus oproept dient men zich op deze steeds zelfde
en toch steeds nieuwe leer gelovig en vol hoop te bezinnen.
Van iedereen in de Kerk wordt zowel op het persoonlijke vlak als op dat van
de gemeenschap een grotere, hernieuwde en edelmoedige apostolische inzet
gevraagd. Aangespoord door het persoonlijk getuigenis en het helder onderricht
van Johannes Paulus II moeten geestelijke herders en gelovigen steeds meer gaan
inzien dat men niet langer mag dralen, dat het nu tijd is om met vurige
apostolische geest vooruit te zien, zich voor te bereiden om de eenentwintigste
eeuw binnen te gaan, vol verlangen de poorten van de geschiedenis wijd open te
zetten voor Jezus Christus, onze God en enige Heiland. Herders en gelovigen
dienen zich geroepen te voelen ervoor te zorgen dat in het jaar 2000 "met
nieuwe kracht de waarheid verkondigd wordt: Ecce natus est nobis Salvator
mundi".1
"In landen die van oudsher christelijk zijn, maar soms ook in de
jongere Kerken, hebben hele groepen gedoopten de levende geloofszin verloren of
beschouwen zich zelfs niet meer als leden van de Kerk en leiden een bestaan dat
ver afstaat van Christus en zijn evangelie. In dit geval is er een ‘nieuwe
evangelisatie’ of ‘herevangelisatie’ nodig." 2 De nieuwe
evangelisatie betekent dus op de eerste plaats een moederlijke reactie van de
Kerk op het verzwakt geloof en het in het bewustzijn van veel van haar zonen en
dochters vervagen van de zedelijke eisen van het christelijk leven. Als burgers
in een wereld die onverschillig staat tegenover godsdienst leiden vele
gedoopten feitelijk een bestaan van godsdienstige en morele onverschilligheid,
dat ver afstaat van het Woord en de sacramenten die voor het leven als christen
wezenlijk zijn. Maar daarnaast zijn er vele anderen die weliswaar uit
christelijke ouders geboren en misschien zelfs gedoopt zijn, maar de
grondslagen missen van het geloof en in feite een van God vervreemd leven
leiden. Met grote genegenheid ziet de Kerk hen aan, en met name jegens hen
gevoelt zij de dringende plicht hen binnen te voeren in de kerkelijke
gemeenschap, waar zij door de genade van de heilige Geest weer Jezus Christus
en de Vader zullen ontdekken.
Naast haar streven naar nieuwe evangelisatie, die weer het licht van het
geloof in het geweten van veel christenen tot leven moet wekken en in de
samenleving de blijde boodschap van het heil moet doen weerklinken, is de Kerk
zich heel sterk bewust van haar verantwoordelijkheid voor de permanente zending
ad gentes, dat wil zeggen het recht en de plicht om het evangelie te
brengen aan alle mensen die Christus nog niet kennen en geen deel hebben aan
zijn heilbrengende gaven. Meer dan ooit zijn in onze dagen voor de Kerk als
moeder en lerares de missio ad gentes en de nieuwe evangelisatie
onverbrekelijk verbonden met de opdracht om te onderrichten, te heiligen en
alle mensen tot de Vader te brengen. Ook vurige christenen – het zijn er velen
– hebben behoefte aan vriendelijke en aanhoudende bemoediging om te streven
naar de heiligheid waartoe ze door God en de Kerk geroepen worden. Dat is in
wezen hetgeen de nieuwe evangelisatie beweegt.
Terwijl iedere gelovige christen, ieder lid van de Kerk zich aangesproken
zou moeten voelen door deze gemeenschappelijke en dringende
verantwoordelijkheid, geldt dit in het bijzonder voor de priesters die speciaal
gekozen, gewijd en uitgezonden zijn om de aanwezigheid in deze tijd duidelijk
te maken van Christus, wiens waarachtige vertegenwoordiger en bode zij worden.
3 De priesters, wereldheren zowel als religieuzen, moeten daarom
geholpen worden om persoonlijk de "primaire pastorale taak van de nieuwe
evangelisatie"4 op zich te nemen, en om in het licht van deze
opgave opnieuw te ontdekken dat God van hen vraagt het hun toevertrouwde deel
van het volk van God te dienen als leraars van het Woord, bedienaars van de
sacramenten en geestelijke herders van de kudde.
|