|
2. De noodzakelijke en onvervangbare rol van de priester
Hoewel de geestelijke herders zich ervan bewust zijn dat "zij door
Christus niet werden aangesteld om de gehele heilszending van de Kerk tegenover
de wereld uitsluitend op eigen schouders te nemen",13 vervullen
zij bij de evangelisatie een absoluut onvervangbare rol. De nieuwe
evangelisatie vraagt dus dringend, voor de uitoefening van het priesterambt een
vorm te vinden die beantwoordt aan de huidige situatie, en die het in staat
stelt doeltreffend en krachtig in te gaan op de omstandigheden waarin het moet
worden uitgeoefend. Hierbij moeten we ons voortdurend laten leiden door ons
enige voorbeeld Christus, zonder dat we ons door de omstandigheden van onze
tijd laten afleiden van het uiteindelijke doel. Immers, niet alleen
maatschappelijke en culturele omstandigheden moeten ons tot krachtige
vernieuwing brengen, maar vooral de vurige liefde voor Christus en zijn Kerk.
Het doel van heel ons streven is het uiteindelijke Koninkrijk van Christus
en de eenwording in Hem van al het geschapene. Dit doel zal pas op het einde
der tijden bereikt kunnen worden, maar reeds nu is dit Rijk aanwezig door de
levenmakende Geest door wie Jezus Christus zijn Lichaam, de Kerk, gemaakt heeft
tot universeel heilssacrament. 14
Als Hoofd van de Kerk en Heer van de gehele schepping blijft Christus onder
de mensen zijn heilswerk verrichten, en juist hierbinnen heeft het ambtelijk
priesterschap zijn plaats. Om alle mensen tot zich te trekken (vgl. Joh 12,32),
wil Christus met name de betrokkenheid van de priesters. Wij zien hier een
goddelijk plan (Gods wil namelijk om de Kerk en haar bedienaren te betrekken
bij het verlossingswerk), dat vanuit de geloofsleer en de theologie zeer
duidelijk kan worden aangetoond, maar dat voor de mensen van onze tijd moeilijk
te aanvaarden is. Tegenwoordig ziet men velen de sacramentele bemiddeling en de
hiërarchische structuur van de Kerk aanvechten; men vraagt zich af waartoe die
nodig zijn en waarop ze berusten.
Zoals Christus’ leven moet ook dat van de priester een leven zijn dat in
zijn naam gewijd is aan de waarachtige verkondiging van de liefdevolle wil van
de Vader (vgl. Joh 17,4; Heb 10,7-10). "In woord en daad" (vgl. Hnd
1,1) wijdde de Messias zijn openbaar leven aan de prediking als man die met
gezag was bekleed (vgl. Mt 7,29). Dit gezag ontleende Hij natuurlijk allereerst
aan zijn god-zijn, maar in de ogen van de mensen ook aan zijn oprechte, heilige
en volmaakte wijze van handelen. Zo moet ook bij de priester het objectieve
geestelijk gezag dat hij krachtens zijn wijding bezit15 gepaard gaan
met het subjectieve gezag dat hij ontleent aan zijn oprechte en geheiligde
leven, 16 aan zijn pastorale genegenheid die een openbaring is van
Christus’ liefde. 17 Wat de H. Gregorius de Grote zijn priesters
voorhield is nog steeds geldig: "Hij (de geestelijke herder) moet zuiver
zijn in zijn gedachten, voorbeeldig in zijn handelen, discreet in zijn zwijgen,
van nut in zijn woord; hij moet allen nabij zijn door zijn meeleven en meer dan
allen zich aan beschouwend gebed wijden; de mens die het goede doet moet hij
nederig bijstaan, maar omwille van zijn vurig ijveren voor de gerechtigheid
dient hij onwrikbaar op te komen tegen het kwaad van de zondaars. Bij zijn
uitwendige bezigheden mag hij de zorg voor zijn inwendig leven niet
verwaarlozen, noch uit bekommernis voor het inwendige nalaten om goed te zorgen
voor de uitwendige noodwendigheden." 18
Zoals immer heeft de Kerk ook in onze tijd "herauten van het evangelie
als deskundigen in menselijkheid nodig, die het hart van de hedendaagse mens
grondig kennen, zijn vreugde en verwachtingen, angsten en verdriet delen en
tegelijk liefdevolle beschouwers van God zijn". "Daarvoor zijn nieuwe
heiligen nodig," zo zei de paus, weliswaar sprekend over de herkerstening
van Europa, maar in termen die een algemene geldigheid hebben. "De grote
evangelieverkondigers van Europa waren heiligen. Wij moeten de Heer smeken de
geest van heiligheid van de Kerk te doen groeien en ons nieuwe heiligen te
zenden om de hedendaagse wereld te evangeliseren." 19 Men bedenke
dat veel van onze tijdgenoten zich allereerst een beeld van Christus en van
zijn Kerk vormen aan de hand van haar gewijde bedienaren; des te meer is dus
hun echt evangelisch getuigenis noodzakelijk als "levend en transparant
beeld van Christus, de Priester".20
In het kader van Christus’ heilswerk kunnen we twee niet van elkaar te
scheiden doelstellingen opmerken. Enerzijds, een die we als intellectuele
doelstelling zouden kunnen aanduiden: het onderricht aan de menigten die als
schapen waren zonder herder (vgl. Mt 9,36) en hen in hun denken tot bekering
brengen (vgl. Mt 4,17). Anderzijds in het hart van de luisteraars het verlangen
opwekken naar berouw en boete voor hun zonden, en hun de weg openen om van God
vergiffenis te ontvangen. Ook thans is dat nog zo: "De oproep tot een
nieuwe evangelisatie is natuurlijk voor alles een oproep tot bekering;"
21 als het Woord van God het verstand van de mens heeft onderricht en
zijn wil bewogen om de zonde af te wijzen, bereikt het evangelisatiewerk zijn
hoogtepunt in de vruchtbare deelname aan de sacramenten, en vooral in de
viering van de eucharistie. Paus Paulus VI schreef: "De eigen taak van het
evangeliseren is toch zó tot het geloof op te voeden, dat de afzonderlijke
christenen door dat geloof ertoe worden gebracht de sacramenten te beleven als
echte sacramenten van het geloof en niet om ze louter passief te ontvangen of
te ondergaan. 22
Evangelisatie houdt in: verkondiging, getuigenis, dialoog en dienstbetoon;
ze berust op drie onverbrekelijke elementen: verkondiging van het Woord, bediening
van de sacramenten en leiding van de gelovigen. 23 Als de prediking de
gelovigen niet zou blijven vormen en niet zou leiden tot deelname aan de
sacramenten, zou ze absoluut zinloos zijn, even zinloos als een deelname aan de
sacramenten zonder oprechte bekering van hart en zonder volledige aanvaarding
van het geloof en van de zedelijke beginselen. Pastoraal gezien staat
logischerwijze de prediking voorop; 24 maar wat de doelstelling betreft
moet het vieren van de sacramenten, met name van het boetesacrament en van de
eucharistie, als voornaamste element van de evangelisatie gezien worden.
25 Juist in het harmonisch doen samengaan van deze twee functies is de
volheid gelegen van de priesterlijke pastorale arbeid ten dienste van de nieuwe
evangelisatie.
Een aspect van de nieuwe evangelisatie wordt steeds belangrijker, de
oecumenische vorming namelijk van de gelovigen. Het Tweede Vaticaans Concilie
spoort alle katholieke gelovigen aan "ijverig deel te nemen aan de
oecumenische beweging" en "de echt christelijke waarden uit het
gemeenschappelijk erfgoed die bij onze gescheiden broeders worden aangetroffen
met vreugde te erkennen en hoog te achten".26 Tegelijk moet er ook
op worden gewezen dat "niets zo ver af staat van de oecumenische beweging
als een vals irenisme, dat de zuiverheid van de katholieke leer schaadt en de
authentieke, vaststaande zin ervan verduistert".27 De priesters
moeten er dus voor zorgen dat bij de oecumenische beweging steeds trouw de
beginselen in acht worden genomen die worden aangegeven door het leergezag van
de Kerk die geen verbrokkeling maar alleen harmonieuze continuïteit kent.
Suggesties om zich te bezinnen op hoofdstuk I
1. Leeft in onze kerkelijke gemeenschappen, met name onder de priesters, het
besef dat de nieuwe evangelisatie een dringende noodzaak is?
2. Ziet men dit in de prediking? Wordt er aandacht aan besteed in de
vergaderingen van het presbyterium, in de pastorale programma’s, bij de
permanente vorming?
3. Zetten de priesters zich bijzonder in voor een evangelisatieopdracht –
nieuw naar haar "bezieling, methodes en taal"28 – ad intra en
ad extra van de Kerk?
4. Beschouwen de gelovigen het priesterschap als een gave Gods zowel voor
hem die het ontvangt als voor de gemeenschap, of beschouwen ze het louter als
een organisatorische functie? Wordt erop gewezen dat men de Heer moet bidden
roepingen te schenken tot het priesterschap en Hem vragen moet dat het niet aan
edelmoedigheid moge ontbreken om daarop in te gaan?
5. Wordt bij de prediking van Gods Woord en in de catechese een juist
evenwicht bewaard tussen geloofsonderricht en sacramentele praktijk? Wordt het
evangelisatiewerk van de priesters gekenmerkt doordat prediking en sacramenten,
het ‘munus docendi’ en het ‘munus sanctificandi’, elkaar aanvullen?
|