Hoofdstuk II
Leraren van het Woord
"Trek heel de wereld door om aan elk schepsel de goede boodschap te
verkondigen" (Mc 16,15)
1. De priester, leraar van het Woord "nomine Christi et nomine
Ecclesiae"
Een juist verstaan van de pastorale bediening van het Woord begint met de
beschouwing van Gods Openbaring op zich. "Door deze openbaring spreekt dus
de onzichtbare God (vgl. Kol 1,15; 1 Tim 1,17) uit de overvloed van zijn liefde
de mensen aan als zijn vrienden (vgl. Ex 33,11; Joh 15,14-15), en gaat met hen
om (vgl. Bar 3,38) om hen uit te nodigen tot de gemeenschap met Hem en hen
daarin op te nemen." 29 In de Heilige Schrift spreekt de
verkondiging van het Godsrijk niet alleen van Gods heerlijkheid, maar maakt
deze juist uit die verkondiging zichtbaar. Het in de Kerk gepredikte evangelie
bevat niet alleen een boodschap maar is ook een levengevende en goddelijke
ervaring voor hen die geloven, de boodschap aanhoren en aanvaarden en eraan
gehoorzamen.
Vandaar dat de openbaring ons niet alleen maar onderricht over de natuur
van deze God die in een ontoegankelijk licht woont, maar ons ook doet weten wat
God voor ons doet door de genade. "In" en "door" de Kerk
tegenwoordig gesteld en geactualiseerd, is het geopenbaarde Woord een werktuig
waarmee Christus door zijn Geest in ons werkzaam is. Het is tegelijk oordeel en
genade. Bij het luisteren naar het Woord doet de actuele confrontatie met God
een beroep op het hart van de mens, en vraagt om een beslissing die niet met
puur verstandelijke kennis te bereiken valt, maar waarvoor innerlijke ommekeer
nodig is.
"Het is de eerste taak van de priesters als medewerkers van de
bisschoppen om de blijde boodschap van God aan iedereen bekend te maken; ...
(zo) vormen zij het volk van God en doen het groeien." 30 Juist
omdat de prediking van het Woord niet alleen maar bestaat in het simpel langs
verstandelijke weg overdragen van een boodschap maar ze "goddelijke kracht
is tot redding van ieder die erin gelooft" (Rom 1,16), een redding die
eens voor al door Christus verwerkelijkt is, wordt van hen die dit Woord in de
Kerk verkondigen een bovennatuurlijke grondslag gevraagd die er borg voor staat
dat hun prediking waarachtig is en doeltreffend overkomt. De prediking van het
Woord door de gewijde ambtsdragers deelt in zekere zin in het heilskarakter van
het Woord zelf, niet alleen omdat zij over Christus spreken, maar omdat zij hun
toehoorders het evangelie verkondigen met de kracht die zij ontlenen aan het
feit dat zij delen in de wijding en zending van het mensgeworden Woord van God.
In de oren van de ambtsdragers klinken de woorden van de Heer: "Wie naar
jullie luistert, luistert naar Mij, en wie jullie afwijst, wijst Mij af"
(Lc 10,16), en met Paulus kunnen ze zeggen: "Wij hebben niet de geest van
de wereld ontvangen, maar de Geest die van God komt. Zo weten wij alles wat God
ons in zijn genade gegeven heeft. En daarover spreken wij, geestelijke gaven
uitleggend aan geestelijke mensen, met woorden die ons niet door menselijke
wijsheid maar door de Geest zijn geleerd" (1Kor 2,12-13).
De prediking is een ambtswerk dat zijn oorsprong vindt in het
wijdingssacrament en dat uitgeoefend wordt krachtens het gezag van Christus.
Toch staat de kracht van de heilige Geest niet op gelijke wijze borg voor alles
wat de ambtsdragers doen. Terwijl deze waarborg wel wordt gegeven voor de
bediening van de sacramenten, zodat zelfs de zondigheid van de bedienaar geen
belemmering is voor de vrucht van de genade, zijn er veel andere handelingen
die sterk het stempel dragen van de ambtsdrager. Dit stempel kan zowel gunstig
als schadelijk zijn voor de apostolische vruchtbaarheid van de Kerk.31
Hoewel heel het munus pastorale in het teken moet staan van dienstbetoon,
is dit met name noodzakelijk bij de prediking, want naarmate de ambtsdrager
meer in waarheid dienaar wordt van het Woord en niet de meester ervan,
kan dit Woord beter zijn heilbrengende kracht uitoefenen.
Dienstbetoon vraagt van de ambtsdrager persoonlijke toewijding aan het
Woord dat hij predikt, een toewijding die uiteindelijk uitgaat naar God zelf,
die God "die ik van harte dien door het evangelie van zijn Zoon te
verkondigen" (Rom 1,9). De priester mag hieraan geen hinderpalen in de weg
leggen door doeleinden na te streven die niet met zijn opdracht te maken
hebben, of door zich te verlaten op menselijke wijsheid of persoonlijke
ervaringen die het evangelie zelf zouden kunnen verduisteren. Men mag dus nooit met het Woord van God manipuleren! Integendeel, de
priester "moet zelf als eerste een grote persoonlijke vertrouwdheid met
het woord van God ontwikkelen ... en de eerste zijn om in het woord te geloven,
in het volle besef dat de woorden van zijn dienstwerk niet de ‘zijne’ zijn, maar
de woorden van Degene die hem gezonden heeft".32
Er is dus een wezenlijke relatie tussen persoonlijk gebed en prediking.
De overweging van Gods Woord in persoonlijk gebed leidt er spontaan toe "dat
de priester allereerst getuigt door een leven dat Gods macht en liefde
zichtbaar maakt en aan zijn woord de overtuigingskracht geeft".33
Wanneer prediking vrucht is van persoonlijk gebed wordt ze heel indringend,
niet alleen vanwege haar innerlijke logica, maar omdat ze voortkomt uit een
oprecht en biddend hart dat beseft dat het de taak van de ambtsdragers is
"om niet hun eigen wijsheid, maar het woord van God te onderwijzen en
iedereen met klem op te roepen tot bekering en tot heiligheid".34
Wil de prediking van de dienaren van Christus haar doel bereiken, dan moet ze
vast geworteld staan in hun geest van vertrouwvol gebed: "sit orator,
antequam dictor".35
Het persoonlijk gebedsleven betekent voor de priesters een steun; het versterkt
het besef dat hun zending een dienstbaar karakter heeft en hun leven een
roeping is, en ondersteunt hun levend en apostolisch geloof. Door dat gebed
wordt iedere dag opnieuw hun ijver voor de evangelisatie gevoed. Deze wordt tot
persoonlijke overtuiging hetgeen tot uiting komt in een consequente en
overtuigende wijze van prediking. Zo is het getijdengebed niet alleen een zaak
van persoonlijke vroomheid en is het méér dan een openbaar gebed van de Kerk:
het is ook pastoraal gezien van groot belang, 36 want het biedt een
uitstekende gelegenheid om zich steeds meer te verdiepen in het onderricht van
de bijbel, de kerkvaders, de theologie en het leergezag, en om dit onderricht
in de prediking aan het volk Gods verder te geven.
|