|
2. Voor een doeltreffende verkondiging van het Woord
In verband met de nieuwe evangelisatie moet erop gewezen worden hoe
belangrijk het is de gelovigen dieper de betekenis van de uit het doopsel
voortvloeiende roeping te doen beseffen, dat zij namelijk door God geroepen
worden om Christus van nabij te volgen, en persoonlijk mee te werken aan de
opdracht van de Kerk. "Het geloof overdragen betekent de roeping van de
christen aan het licht brengen, verkondigen en verdiepen; de roeping van de
christen, dat wil zeggen de roep die God tot iedere mens richt door hem het
heilsgeheim te tonen." 37 De rol van de prediking is dus Christus
aan de mensen voor te houden want Hij alleen, "de laatste Adam, maakt
juist door de openbaring van het mysterie van de Vader en diens liefde de mens
voor zichzelf duidelijk en geeft hem inzicht in zijn zeer hoge
roeping".38
Voor de christen gaan de nieuwe evangelisatie en het roepingsaspect van het
leven hand in hand. Dat is ‘de blijde boodschap’ die aan de gelovigen
verkondigd moet worden, zonder er ook maar iets aan af te doen wat de goedheid
ervan betreft of de eisen die ze stelt om er deel aan te krijgen. Tegelijk
bedenke men dat "op de christen de noodzaak en taak wegen om in veel
wederwaardigheden tegen het kwaad te strijden en om door het lijden van de dood
te gaan; maar in verbondenheid met het paasmysterie, gelijkvormig aan de dood
van Christus en sterk in de hoop snelt hij de verrijzenis
tegemoet".39
De nieuwe evangelisatie vraagt een bezielde, complete en goed onderbouwde
bediening van het Woord. Ze moet duidelijk theologisch, geestelijk, liturgisch
en moreel van inhoud zijn, en oog hebben voor de concrete behoeften van de
mensen die men wil bereiken. Men mag natuurlijk niet vervallen in cerebrale constructies
die het verstand van de christenen eerder verwarren dan verlichten; maar men
moet gebruik maken van een ware ‘verstandelijke liefde’ door middel van
geduldige en constante catechese over de grondwaarheden van het katholieke
geloof en de katholieke moraal, en over hun betekenis voor het geestelijk
leven. Christelijk onderricht hoort op bijzondere wijze tot de geestelijke
werken van barmhartigheid: het heil komt door de kennis van Christus,
"want er is onder de hemel geen andere naam aan mensen gegeven waardoor
wij ons kunnen laten redden" (Hnd 4,12).
Deze catechetische verkondiging kan niet gebeuren zonder gebruik te maken
van gezonde theologie, want het gaat er natuurlijk niet alleen om, de
geopenbaarde leer te herhalen maar om door middel daarvan verstand en geweten
van de gelovigen te vormen opdat ze consequent kunnen leven naar de eisen van
de bij het doopsel ontvangen roeping. De nieuwe evangelisatie zal tot stand
komen in de mate waarin niet alleen de Kerk in haar geheel of haar
verschillende instellingen maar ook iedere individuele christen in staat is
oprecht zijn geloof te beleven en door zijn leven de geloofwaardigheid ervan
aan te tonen.
Evangeliseren betekent het met alle beschikbare eerlijke en passende
middelen verkondigen en verspreiden van de inhoud van de geopenbaarde waarheden
(het trinitair en christologisch geloof, de betekenis van het scheppingsdogma,
de eschatologische waarheden, de leer over Kerk, mens, sacramenten en andere
heilsmiddelen, enzovoorts). Dat betekent ook dat men de mensen door middel van
geestelijke en morele vorming leert hoe ze deze waarheden door getuigenis en
missionaire inzet naar de dagelijkse praktijk kunnen vertalen.
Het geven van theologische en spirituele vorming is een enorme en absoluut
noodzakelijke opdracht (permanente vorming van priesters en diakens, vorming
van alle gelovigen). De bediening van het Woord, en vooral de bedienaars van
het Woord, moeten daarom tegen de omstandigheden opgewassen zijn. Het resultaat
ervan hangt allereerst af van Gods hulp, maar ze vraagt ook met zo groot
mogelijke menselijke perfectie verricht te worden. Een vernieuwde leerstellige,
theologische en spirituele verkondiging van de christelijke boodschap, –
bestemd om allereerst het geweten van de gedoopten te enthousiasmeren en te
zuiveren – mag niet op gemakzuchtige en onverantwoordelijke wijze
geïmproviseerd worden. Nog minder mogen de priesters tekort schieten in hun
verantwoordelijkheid om persoonlijk de taak van de verkondiging op zich te
nemen, met name met betrekking tot de opdracht het evangelie te verklaren: deze
taak mag niet worden toevertrouwd aan iemand die niet gewijd is, 40 en
niet zonder goede reden worden overgelaten aan iemand die er niet goed op is
voorbereid.
Als we denken aan de prediking door de priester moet worden benadrukt,
zoals dat overigens altijd is gebeurd, hoe belangrijk de verwijderde
voorbereiding is; deze kan bijvoorbeeld in concreto bestaan in het lezen en
het richten van zijn belangstelling op hetgeen voor de gewijde ambtsdrager bij
zijn voorbereiding dienstig kan zijn. De predikant moet voortdurend pastorale
voeling houden met de vraagstukken waarmee de mensen in onze tijd worstelen, en
nagaan hoe die eventueel zijn op te lossen. "De priesters moeten, om een
juist antwoord te kunnen geven op vragen die de mensen van onze tijd
bezighouden, goed kennis nemen van de documenten van het kerkelijk leergezag en
vooral van concilies en pausen en zij moeten de beste en beproefde
theolo-gische auteurs raadplegen," 41 en niet te vergeten de Katechismus
van de Katholieke Kerk. Wat dit betreft is het goed te blijven benadrukken
hoe belangrijk de permanente vorming van de geestelijkheid is, waarbij
inhoudelijk het Directorium voor het ambt en het leven van de priesters
als leidraad dient. 42 Alle moeite op dit gebied zal rijkelijk beloond
worden.
Naast hetgeen hierboven gezegd is, is ook een onmiddellijke
voorbereiding op de prediking van het woord Gods van groot belang. Afgezien
van enkele uitzonderlijke gevallen waar het niet anders mogelijk is, dient men
nederig en met ijver minstens zorgvuldig een schema voor te bereiden van wat
men wil gaan zeggen.
De voornaamste bron van de prediking is natuurlijk de Heilige Schrift die
men in persoonlijk gebed heeft overwogen en waarmee men door het lezen en
bestuderen van geschikte boeken vertrouwd is geworden. 43 Uit pastorale
ervaring blijkt dat de kracht en welsprekendheid van de gewijde tekst diepe
indruk maakt op de toehoorders. De geschriften van de kerkvaders en andere
grote schrijvers uit de traditie leren ons hoe we in de betekenis van het
geopenbaarde Woord kunnen doordringen en het aan anderen duidelijk maken. 44 Dat is heel iets anders dan welke vorm ook van ‘bijbels
fundamentalisme’ of verminking van de goddelijke boodschap. Ook kan men zich bij de voorbereiding op de prediking laten leiden door de
pedagogie waarmee de liturgie van de Kerk het Woord van God in de verschillende
delen van het liturgisch jaar leest, interpreteert en toepast. Bovendien heeft
van oudsher de beschouwing van het leven van de heiligen – met hun strijd en
heldhaftigheid – in het hart van de christenen rijke vruchten voortgebracht. De
gelovigen worden vaak belaagd door gevaarlijke omstandigheden en twijfelachtige
leer; ook in onze tijd hebben zij bijzonder hard het voorbeeld nodig van die
heldhaftige levens die zich geheel overgaven aan de liefde voor God en die zich
omwille van God aan de mensen uitleverden. Dat alles is nuttig voor de
evangelisatie; zo ook het aan de gelovigen uit liefde voor God bijbrengen van
solidariteitsbesef, geest van dienstbaarheid, edelmoedige zelfgave. Het geweten
van de christen komt tot wasdom door steeds nauwer verband met de liefde.
Ook aan de formele kanten van de prediking moet de priester veel zorg
besteden. We leven in het tijdperk van informatie en snelle kennisoverdracht,
en we zijn gewend naar bekende vaklui op televisie en radio te luisteren en te
kijken. In zekere zin moet de priester (die op eigen wijze contact heeft met
zijn publiek) met hen ten overstaan van de gelovigen vreedzaam concurreren; hij
moet zijn boodschap dus op aantrekkelijke manier brengen. Niet alleen moet hij
in apostolische geest deskundig gebruik weten te maken van deze ‘nieuwe
leerstoelen’, de massamedia, maar vooral moet hij ervoor zorgen dat het niveau
van zijn boodschap beantwoordt aan het Woord dat hij predikt. Bij de media
bereiden de vaklui zich zorgvuldig voor op hun werk; het is ongetwijfeld niet
teveel gevraagd dat zij die het Woord onderrichten, geduldig en verstandig
ervoor zorgen de ‘professionele’ kwaliteit van dit aspect van hun ambtswerk te
vergroten. In verschillende universitaire en culturele kringen toont men weer
belangstelling voor welsprekendheid; deze belangstelling moet ook onder de
priesters gewekt worden, waarbij deze welsprekendheid gepaard moet gaan met een
eenvoudige en waardige wijze van optreden.
Zoals de prediking van Christus moet ook die van de priester positief en
stimulerend zijn, en de mensen brengen tot de goedheid, schoonheid en waarheid
van God. De christenen moeten "de kennis laten stralen van Gods
heerlijkheid die ligt over het gelaat van Jezus Christus" (2Kor 4,6), en
de ontvangen waarheid op boeiende wijze uiteenzetten. Zou iemand blind kunnen
blijven voor de aantrekkelijke, tegelijk sterke en serene eisen van het
christelijk leven? Er is geen reden tot angst. "Sinds zij in het
Paasgeheim de gave heeft ontvangen van de uiteindelijke waarheid over het leven
van de mens, is zij (de Kerk) over de wegen der wereld uitgetrokken om te
verkondigen dat Jezus Christus ‘de weg, de waarheid en het leven’ is (Joh
14,6). Onder de verschillende diensten die zij de mensheid bieden moet, is er
één waarvoor zij heel bijzonder verantwoordelijk is: de diaconie van de
waarheid." 45
Voor de prediking dient men een heldere taal te gebruiken die voor mensen
met welke sociale achtergrond ook verstaanbaar is; platvloersheden en
gemeenplaatsen moeten worden vermeden. 46 Men dient te spreken vanuit
een waarachtige geloofsvisie, maar met woorden die begrepen kunnen worden in de
verschillende milieus; dus nooit in de vaktaal van specialisten, en evenmin met
concessies aan de geest van de wereld. Het menselijk ‘geheim’ voor een
vruchtbare prediking van het Woord is voor een groot deel gelegen in ‘de
vakkennis’ van de predikant, die weet wat hij wil zeggen en hoe het te zeggen,
en die zich op lange en korte termijn serieus heeft voorbereid, en niet op
amateuristische wijze gaat improviseren. Het zou een betreurenswaardige vorm
van irenisme zijn als men de kracht van de volledige waarheid zou verhullen.
Men moet dus met zorg zijn woorden, stijl en voordracht kiezen; men moet goed
bedenken welke punten sterker benadrukt dienen te worden, en voor zover
mogelijk er zelfs zonder aanstellerij voor zorgen een aangenaam stemgeluid te
hebben. Men dient te weten wat men wil bereiken en goed op de hoogte te zijn
van de levensomstandigheden en cultuur van zijn gehoor; om niet in abstracte
theorieën en algemeenheden te vervallen moet men zijn schaapjes kennen. Men
dient een vriendelijke en opbouwende wijze van spreken te hebben, mensen niet
te kwetsen ook als men hun geweten raakt, en niet bang te zijn om de dingen bij
hun naam te noemen.
Priesters die in verschillende pastorale taken samenwerken moeten elkaar
helpen door broederlijke raad over bepaalde aspecten van de prediking zoals de
inhoud ervan, het theologisch en taalkundig gehalte, de stijl, de lengte – de
preek mag nooit te lang zijn –, de wijze van spreken, hoe men zich achter de
ambo beweegt, het stemgebruik dat normaal moet zijn maar dat kan wisselen
zonder dat men zich aanstelt, naar gelang de verschillende onderdelen van de
preek, enzovoorts. Wij herhalen: er is nederigheid nodig om zich te willen
laten helpen door zijn collega’s en zelfs indirect door de gelovigen die met de
priester in het pastoraat samenwerken.
Suggesties om zich te bezinnen op hoofdstuk II
6. Beschikken we over instrumenten om na te gaan wat voor werkelijke
invloed het predikambt heeft op het leven van onze gemeenschappen? Zijn we erop
gespannen dit essentieel evangelisatiemiddel te gebruiken met zo groot mogelijk
menselijk vakmanschap?
7. Wordt in de cursussen voor permanente vorming van de geestelijkheid
aandacht besteed aan verdere verbetering van de verschillende vormen van de
verkondiging van het Woord?
8. Worden de priesters gestimuleerd om tijd te besteden aan het bestuderen
van theologie, kerkvaders, kerkleraars en heiligen? Doen zij hun best om de
grote meesters van de spiritualiteit te leren kennen en bekend te maken?
9. Wordt met praktische zin en gezonde wetenschappelijke bedoeling gezorgd
voor het inrichten van bibliotheken voor priesters?
10. Is men op de hoogte van eventuele mogelijkheden om zich aan te sluiten
bij bibliotheken op internet, zoals die welke door de Congregatie voor de
Geestelijkheid is opgezet (www.clerus.org)?
11. Maken de priesters gebruik van de catechese en het onderricht van de
Heilige Vader en van de verschillende documenten van de Heilige Stoel?
12. Beseft men het belang van een professionele vorming van mensen
(priesters, permanent diakens, religieuzen, leken) die uitstekend weten om te
gaan met de media, hetgeen een wezenlijk aspect vormt van de evangelisatie van
de eigentijdse cultuur?
|