Hoofdstuk III
Bedienaren van de sacramenten
"Helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen"
(1Kor 4,1)
1. "In persona Christi Capitis"
"De zending van de Kerk is geen toevoeging aan die van Christus en de heilige
Geest, maar zij is er het sacrament van: in heel haar wezen en in al haar leden
wordt zij gezonden om het mysterie van de gemeenschap van de heilige
Drie-eenheid te verkondigen en ervan te getuigen, het te actualiseren en te
verbreiden." 47 Deze sacramen-tele dimensie van haar gehele
zending spruit voort uit het eigen wezen van de Kerk, "die tegelijk
menselijk en goddelijk is, zichtbaar en vervuld van onzichtbare werkelijkheden,
opgaande in het werk en vrij voor de beschouwing, in de wereld aanwezig en toch
op pelgrimstocht".48 Binnen de samenhang van de Kerk,
"universeel sacrament van het heil"49 waarin Christus
"het geheim van de liefde van God voor de mens tegelijk manifesteert en
realiseert",50 staan in het dienstwerk van de priesters de
sacramenten centraal omdat ze de momenten bij uitstek zijn waarop het goddelijk
leven aan de mens wordt meegedeeld. De priesters beseffen heel goed dat zij
levende instrumenten zijn van Christus, de Hogepriester. Het is de functie van
mannen die krachtens haar sacramenteel karakter gemachtigd zijn met Gods
handelen mee te werken door te delen in de werkzaamheid van het instrument.
Door het wijdingssacrament gelijkvormig gemaakt met Christus, staat de
priester in het hart van het volk van God. Deze gelijkvormigheid doet hem op
eigen wijze en overeenkomstig de organische structuur van de kerkelijke
gemeenschap delen in het drievoudig munus Christi. Door te handelen in
persona Christi Capitis gaat de priester het volk van God voor op de weg
naar de heiligheid. 51 Daaruit volgt "de noodzaak dat de priester
van zijn geloof getuigenis aflegt door heel zijn wijze van leven, maar vooral
door de wijze waarop hij de sacramenten hoogacht en viert".52 Men
houde steeds de klassieke leer voor de geest, die door het Tweede Vaticaans
Concilie werd hernomen en die zegt: "Ofschoon de genade van God het
heilswerk ook door onwaardige bedienaren kan vervullen, geeft God er toch de
voorkeur aan om normaal gesproken zijn wonderwerken te tonen door hen die,
ontvankelijker geworden voor de ingeving en de leiding van de heilige Geest,
omwille van hun nauwe band met Christus en de heiligheid van leven met de
apostel kunnen zeggen: ‘En toch leef ik, maar niet ikzelf, Christus is het die
leeft in mij’ (Gal 2,20)." 53
De vieringen van de sacramenten waarbij de priesters handelen als dienaren
van Christus en op speciale wijze door zijn Geest delen in zijn priesterschap,
54 zijn buitengewoon belangrijke momenten van eredienst voor de nieuwe
evangelisatie. Men bedenke ook dat voor alle gelovigen, maar vooral voor hen
die weliswaar in het algemeen niet praktizeren maar toch bij gelegenheid van
gebeurtenissen in de familie of de samenleving (doopsels, vormsels, huwelijken,
uitvaarten, priesterwijdingen, enzovoorts) tamelijk regelmatig liturgische
vieringen bijwonen, deze gelegenheden tegenwoordig de enige effectieve momenten
zijn geworden om de inhoud van het geloof over te dragen. Een geloofwaardige
levensstijl van de ambtsdrager moet gepaard gaan met "een hoge kwaliteit
van de liturgische plechtigheid":55 er mag in geen geval ge-zocht
worden naar uiterlijk vertoon, maar men zorge er veeleer voor dat "in haar
het menselijke in ondergeschiktheid gericht is op het goddelijke, het zichtbare
op het onzichtbare, het werken op het beschouwen, het heden op de toekomstige
stad waarnaar wij zoeken".56
2. Bedienaren van de eucharistie: ‘het ware centrum van het priesterambt’
"‘Vrienden’: zo noemde Jezus de apostelen. Zo wil Hij ook ons noemen,
die dankzij het sacrament van de wijding deelhebben aan Zijn priesterschap. ...
Kon Jezus Zijn vriendschap op een welsprekender wijze tot uitdrukking brengen
dan door ons toe te staan om als priesters van het Nieuwe Verbond te handelen
in Zijn naam, in persona Christi capitis? Dit is precies wat er gebeurt
in heel onze priesterlijke dienst, wanneer wij de sacramenten toedienen, en in
het bijzonder wanneer wij de eucharistie vieren. Wij herhalen de woorden die
Hij heeft uitgesproken over het brood en de wijn, en door middel van ons
dienstwerk wordt dezelfde consecratie tot stand gebracht die hij tot stand
bracht. Kan er een meer volledige uitdrukking van vriendschap zijn dan dit? Zij
staat precies in het middelpunt van ons priesterlijk dienstwerk." 57
De nieuwe evangelisatie moet ook voor de gelovigen een nieuw inzicht
betekenen in de centrale plaats van het sacrament van de eucharistie als bron
en hoogtepunt van heel het christelijk leven. 58 Enerzijds omdat
"geen enkele christelijke gemeenschap opgebouwd wordt als zij niet haar
oorsprong en middelpunt heeft in de viering van de heilige
eucharistie",59 maar ook omdat "de overige sacramenten,
evenals alle kerkelijke bedieningen en apostolaatswerken, samenhangen met de heilige
eucharistie en daarop gericht staan. Want in de heilige eucharistie ligt heel
het geestelijk goed van de Kerk vervat." 60
Ook is de eucharistie een doelstelling van het pastoraal werk. Om er
vruchten van te plukken moeten de gelovigen erop worden voorbereid. Men
stimuleert bij hen "de waardige, aandachtige en vruchtbare" deelname
aan de liturgie, maar van de andere kant is het absoluut noodzakelijk hen ervan
te doordringen dat zij op die wijze "worden uitgenodigd en ertoe gebracht
om zichzelf, hun arbeid en al het geschapene samen met Hem op te dragen.
(Daarom) is de eucharistie duidelijk de bron en het hoogtepunt van heel de
prediking." 61 Deze waarheid heeft allerlei consequenties voor de
pastoraal.
Het is van wezenlijk belang de gelovigen duidelijk te maken wat het wezen
is van het heilig Altaaroffer en hen aan te sporen tot vruchtbare deelname aan
de eucharistie. 62 Ook moet onvermoeibaar en onbevreesd aangedrongen
worden op het vervullen van de zondagsplicht, 63 en erop worden gewezen
hoe nuttig het is vaak, zo mogelijk zelfs dagelijks, deel te nemen aan de
eucharistieviering en te communie te gaan. Ze moeten gewezen worden op de
strenge plicht te voldoen aan de geestelijke en lichamelijke voorwaarden voor
het ontvangen van het Lichaam van Christus, en dus te beginnen met een
persoonlijke biecht indien iemand van zichzelf weet niet in staat van genade te
zijn. De bloei van het christelijk leven in iedere particuliere Kerk en in heel
de parochiegemeenschap hangt voor een groot deel af van de herontdekking in
geloof en aanbidding van de grote gave van de eucharistie. Wanneer men in het
onderricht over de leer en in de prediking er niet in slaagt het verband
duidelijk te maken tussen het alledaagse leven en de eucharistie, zal de regelmatige
deelname aan de eucharistie tenslotte verwaarloosd worden.
In dit verband is het voorbeeldig gedrag van de celebrant van wezenlijke
betekenis. "Een goede wijze van celebreren is een eerste en belangrijke
catechese over het heilig Offer." 64 Hoewel het natuurlijk niet de
bedoeling is van de priester, is het van belang dat de gelovigen hem zich
ingetogen zien voorbereiden op het opdragen van het heilig Offer, dat ze
getuigen zijn van de liefde en godsvrucht waarmee hij celebreert, en dat ze van
hem kunnen leren enige tijd na de communie te besteden aan de dankzegging.
Terwijl een wezenlijk onderdeel van het evangelisatiewerk van de Kerk erin
bestaat de mensen te leren bidden tot de Vader door Christus in de heilige
Geest, brengt de nieuwe evangelisatie het hervinden en versterken met zich mee
van bepaalde pastorale praktijken die de werkelijke tegenwoordigheid van de
Heer onder de eucharistische gedaanten duidelijk maken. "De priester heeft
tot taak de verering te stimuleren van de eucharistische tegenwoordigheid, ook
buiten de viering van het misoffer, en ernaar te streven zijn Kerk tot een
‘huis van christelijk gebed’ te maken." 65 Vóór alles dienen de
gelovigen grondig op de hoogte te zijn van de noodzakelijke voorwaarden om met
vrucht de communie te ontvangen. Hun devotie voor Christus die op hen wacht in
het tabernakel moet gestimuleerd worden. Een eenvoudige en doeltreffende manier
van eucharistische catechese is de materiële zorg voor alles wat betrekking
heeft op de Kerk en met name op het altaar en het tabernakel: netheid en goede
smaak, voorname gewaden en liturgisch vaatwerk, zorg die besteed wordt aan het
vieren van de liturgische ceremonies, 66 het verrichten van
kniebuigingen enzovoorts. Bovendien moet er in de sacramentskapel een ingetogen
sfeer heersen; het is een eeuwenoude traditie in de Kerk te zorgen voor de
stilte die het liefdevol gesprek met de Heer mogelijk maakt. Deze kapel, of in
ieder geval de plaats waar de in het sacrament aanwezige Christus wordt bewaard
en aanbeden, is het hart van onze godshuizen. Als zodanig moeten we ernaar
streven haar duidelijk en makkelijk toegankelijk te maken. Ze moet zo lang
mogelijk dagelijks open zijn, en met ware zorg worden versierd.
Het is duidelijk dat al deze uiterlijke tekenen – die niet voortkomen uit
een of ander vaag ‘spiritualisme’, maar uit een theologisch gefundeerde devotie
– alleen mogelijk zijn op voorwaarde dat de priester werkelijk een man van
gebed is en ware liefde koestert voor de eucharistie. Alleen de geestelijke
herder die bidt zal kunnen leren bidden, terwijl hij ook Gods genade zal weten
af te roepen over hen voor wie hij als pastor verantwoordelijk is. Zo zal hij
mensen tot bekering en tot intenser geestelijk leven kunnen brengen, roepingen
weten te wekken tot het priesterschap en het godgewijd leven. Uiteindelijk zal
alleen de priester die dagelijks de ‘conversatio in coelis’ beleeft en wiens
leven in het teken staat van vriendschap met Christus, in staat zijn om een
werkelijke impuls te geven aan een waarachtige en hernieuwde evangelisatie.
3. Bedienaren van de verzoening met God en met de Kerk
In een wereld waarin het zondebesef veelal dreigt te verdwijnen67
moet er nadrukkelijk op gewezen worden dat juist het ontbreken van liefde voor
God verhindert om de zonde in heel haar boosaardigheid te onderkennen. De
eerste aanzet tot bekering, niet alleen als kortstondige inwendige akte, maar
als een vaste gesteldheid, komt voort uit de ware kennis van de barmhartige
liefde van God. "Wie God op die manier kennen en Hem zo ‘zien’, kunnen
niet anders leven dan in voortdurende bekering tot Hem. Zij leven derhalve in
een staat van bekering." 68 Boetvaardigheid is zo een vast erfgoed
van het kerkelijk leven van de gedoopten; maar ze wordt gekenmerkt door de hoop
op vergeving: "Vroeger van genade verstoken, nu begenadigd" (1Pe
2,10).
De nieuwe evangelisatie eist dus – een absoluut onontkoombare pastorale eis
– dat men zich inspant om de gelovigen weer te doen gaan tot het
boetesacrament69 dat "voor ieder de weg effent, ook dan wanneer
hij met zware schuld beladen is. Door dat sacrament kan iedere mens op
bijzondere wijze barmhartigheid ondervinden, dat wil zeggen de liefde die
sterker is dan de dood." 70 We mogen er niet voor terugschrikken
deze sacramentele praktijk van harte aan te moedigen, terwijl we op verstandige
wijze de weldadige christelijke tradities uit een ver verleden weten te
vernieuwen en nieuw leven in te blazen. Men moet allereerst de gelovigen met de
hulp van de heilige Geest brengen tot een diepgaande bekering die vergezeld
gaat van de berouwvolle en oprechte erkenning van de zedelijke tekortkomingen
in ieders leven; vervolgens moet gewezen worden op het belang van de
veelvuldige persoonlijke biecht, tot men, voor zover mogelijk, komt tot echte
persoonlijke geestelijke leiding.
Zonder het moment van de toediening van het sacrament te verwarren met de
geestelijke leiding, moeten de priesters, juist uitgaande van de viering van
het sacrament, de gelegenheid weten aan te grijpen om te komen tot een gesprek
waarin geestelijke leiding wordt gegeven. "De herontdekking en
verspreiding van deze praktijk, ook buiten de biecht om, is een grote weldaad
voor de Kerk in deze tijd." 71 Als men zo te werk gaat zal dit
ertoe leiden dat men weer de betekenis en kracht van dit sacrament gaat
ontdekken, en schept dit de voorwaarden om de crisis waarin het verkeert te
overwinnen. Persoonlijke geestelijke leiding maakt de vorming mogelijk van
echte apostelen die in staat zijn de nieuwe evangelisatie in de
burgermaatschappij uit te dragen. Voor een diepgaande herevangelisatie van de
talrijke gedoopten die van de Kerk vervreemd zijn, is een degelijke vorming
noodzakelijk van hen die haar trouw bleven.
Voor de nieuwe evangelisatie moet men kunnen rekenen op een behoorlijk
aantal priesters: de ervaring van vele eeuwen leert ons dat wanneer mensen
positief op een roeping reageren, dit in de meeste gevallen te danken is aan de
geestelijke leiding en het voorbeeld dat de priesters geven, wanneer ze
inwendig en uitwendig trouw zijn aan hun leven als priester. "De priester
dient een bijzondere zorg te besteden aan de roepingenpastoraal. ... Hij zal
geschikte initiatieven bevorderen om door persoonlijk contact mensen hun
talenten te doen ontdekken, en hen te leren inzien dat God van hen een moedige
keuze tot navolging van Christus vraagt. ... Het is een natuurlijke
consequentie van de herderlijke liefde dat iedere priester – met hulp van de
heilige Geest – zich erom bekommert minstens één iemand met priesterroeping te
vinden die zijn priesterlijk werk kan voortzetten." 72
Wil men aan alle gelovigen werkelijk gelegenheid bieden om te gaan
biechten, dan vraagt dit dat men er veel tijd aan besteedt. 73 Het is
zeer aan te bevelen bepaalde tijden vast te stellen voor het biechthoren;
iedereen moet ervan op de hoogte zijn, en de priester mag niet alleen maar in
theorie beschikbaar zijn. Soms worden gelovigen ervan afgehouden om te gaan
biechten alleen al doordat ze eerst een biechtvader moeten zoeken, terwijl ze
"dit sacrament graag ontvangen wanneer zij weten dat er priesters
beschikbaar zijn".74 Parochiekerken en in het algemeen bedehuizen
dienen een duidelijk, tamelijk ruime en gunstig gelegen biechtkapel te hebben;
de priesters dienen ervoor te zorgen dat aan de vastgestelde biechttijden vast
de hand wordt gehouden. Om het de gelovigen gemakkelijk te maken te gaan
biechten dient ook zorg besteed te worden aan de plaatsen waar zich de
biechtstoelen bevinden: ze moeten schoon zijn, goed zichtbaar, er moet van een
crates gebruikt gemaakt kunnen worden en de biechteling moet anoniem kunnen
blijven, enzovoorts. 75
Het is niet altijd gemakkelijk zich aan deze zielzorgpraktijken te houden,
maar dat is geen reden om te verzwijgen dat ze doeltreffend zijn en dat het een
weldaad is ze in ere te herstellen, mochten ze in onbruik zijn geraakt. Voor
deze zeer belangrijke beschikbaarheid dient men te stimuleren dat wereldheren
en ordensgeestelijken met elkaar samenwerken. Zo moet men ook groot respect
hebben voor de bewonderenswaardige wijze waarop talrijke bejaarde priesters
dagelijks hun werk in de biechtstoel verrichten; ze zijn naar waarheid
leermeesters in het geestelijk leven van de verschillende christelijke
gemeenschappen.
Heel deze dienst aan de Kerk zal veel minder zwaar vallen als de priesters
zelf als eersten regelmatig gaan biechten. 76 Om de bediening van de
verzoening van harte uit te oefenen is het noodzakelijk dat de priester zelf
als penitent tot dit sacrament nadert. "Als een priester niet meer biecht
of slecht biecht, zullen zijn priester-zijn en zijn optreden als priester
er zeer spoedig onder lijden en ook de gemeenschap waarvan hij herder is, zal
het bemerken." 77
"Het dienstwerk van de priesters is bovenal gemeenschap en
verantwoordelijke en noodzakelijke samenwerking met het dienstwerk van de
bisschop, in de zorg voor de universele Kerk en voor de afzonderlijke
particuliere Kerken ten dienste waarvan zij met de bisschop één presbyterium
vormen." 78 De pastorale zorg van de priester moet met name
uitgaan naar hun medebroeders in het priesterschap, door hen materieel en
geestelijk te ondersteunen, hun met tact gelegenheid te geven tot biecht en
geestelijke leiding, hen in hun dienstwerk te stimuleren, hen bij iedere nood
te helpen, en hen broederlijk in alle moeilijkheden, in hun ouderdom en bij
ziekte bij te staan. Juist op dit gebied is de beoefening van de
priesterdeugden van belang.
Onder de deugden die vereist zijn voor een vruchtbaar uitoefenen van het
dienstwerk van de verzoening is pastorale wijsheid uiterst belangrijk. Juist
zoals de ambtsdrager een effectief instrument in het sacramenteel gebeuren is
wanneer hij de absolutie geeft, heeft hij bij de andere biecht-handelingen tot
taak de penitent met Christus in contact te brengen en hem met grote tact tot
deze genadevolle ontmoeting te begeleiden. Dit betekent het vermijden van vaag
gepraat, waarbij de realiteit van de zonde buiten beschouwing wordt gelaten; de
biechtvader moet dus over de nodige kennis beschikken. 79 Maar tegelijk
moet in het biechtgesprek zoveel begrip worden betoond dat daardoor het
mensenhart langs de weg van de geleidelijkheid tot bekering wordt
gebracht, zonder dat men in het minst vervalt in vervaging van de zedelijke
normen.
Daar de praktijk van het biechten op veel plaatsen is teruggelopen, tot
grote schade voor het zedelijk leven en het goed gevormd geweten van de
gelovigen, blijkt er een reëel gevaar te bestaan dat de theologische en
pastorale kwaliteit bij het uitoefenen van zijn ambt als biechtvader afneemt.
De biechtvader moet de Paracleet vragen hem in staat te stellen aan dit
heilbrengend moment overvloedige bovennatuurlijke zin te geven, 80 en
het te maken tot een ware ontmoeting van de zondaar met Jezus die vergiffenis
schenkt. Tegelijk moet hij van de door de biecht geboden gelegenheid profiteren
om het geweten van de penitent te vormen – een zeer belangrijke opgave –, door
hem tactvol de vragen te stellen waardoor hij er zich van kan vergewissen dat
de belijdenis volledig en het sacrament geldig is. Hij moet de penitent helpen
God uit het diepst van zijn hart te danken voor de hem bewezen barmhartigheid,
en het vaste voornemen te maken zijn leven te beteren. Steeds zal hij de
penitent enige bemoedigende woorden toespreken en hem aanmoedigen om werken van
boetvaardigheid te verrichten waarmee hij niet alleen voldoening geeft voor
zijn zonden maar ook in deugd kan groeien.
Suggesties om zich te bezinnen op hoofdstuk III
13. Wezen en heilsbetekenis van de sacramenten zijn onveranderbaar. Met
deze vaste overtuiging als uitgangspunt rijst de vraag hoe de
sacramentenpastoraal vernieuwd en in dienst gesteld kan worden van de nieuwe
evangelisatie.
14. Zijn onze gemeenschappen een ‘Kerk van eucharistie en boetvaardigheid’?
Wordt de eucharistische vroomheid in al haar vormen bevorderd? Wordt de
praktijk van de individuele zondenbelijdenis gemotiveerd en gemakkelijk
gemaakt?
15. Wordt regelmatig gewezen op de werkelijke tegenwoordigheid van de Heer
in het tabernakel, en wordt de vruchtbare praktijk van een bezoek aan het
heilig Sacrament aangemoedigd? Is er vaak een of andere vorm van verering van
de eucharistie? Heerst er in onze kerken een sfeer die uitnodigt om bij het
heilig Sacrament te gaan bidden?
16. Wordt in een echte pastorale geest bijzondere zorg besteed aan het
onderhoud en de waardige inrichting van de kerken? Gaan de priesters in het
algemeen op waardige wijze gekleed volgens de norm van het kerkelijk wetboek
(vgl. canon 284, 669) en houden ze zich bij de eredienst aan de liturgische
voorschriften over de gewaden (vgl. canon 929)?
17. Biechten de priesters regelmatig en stellen ze zich van hun kant
beschikbaar voor dit zo fundamentele dienstwerk?
18. Worden er initiatieven genomen om de geestelijkheid permanent te vormen
op het gebied van hun werk als biechtvader zodat zij dit steeds beter kunnen
verrichten? Worden de pastores gestimuleerd om zich in dit onvervangbare
ambtswerk te blijven bijscholen?
19. In het kader van de nieuwe evangelisatie is het van groot belang dat de
praktijk van de individuele biecht tot nieuw leven komt. Worden, in verband
hiermee de normen van het kerkelijk wetboek aangaande gezamenlijke absolutie
geëerbiedigd? Worden in alle parochies en kerken de liturgische boetevieringen
met pastorale wijsheid en liefde georganiseerd?
20. Welke concrete initiatieven worden genomen opdat de gelovigen hun
zondagsplicht vervullen en de zin ervan begrijpen?
|