|
2. Sacerdos et hostia’
Wezenlijk voor echte barmhartigheid is dat ze een geschenk is. Ze moet als
een onverdiende en vrij geschonken gave worden aanvaard die niet aan eigen
verdiensten te danken is. Een dergelijke vrijgevigheid is deel van het
heilsplan van de Vader, want "hierin bestaat de liefde: niet wij hebben
God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad, en Hij heeft zijn Zoon gezonden om
onze zonden uit te wissen" (1Joh 4,10). En juist in dit kader vindt het
gewijde ambt zijn bestaansrecht. Niemand kan aan zichzelf genade schenken: ze
moet steeds geschonken en in ontvangst genomen worden. Dat veronderstelt dat er
door Christus bekrachtigde en gevolmachtigde bedienaren zijn van de genade. Het
gewijde ambt waardoor de van Christus gezondenen als een gave van God datgene
doen en aanbieden wat ze uit zichzelf niet kunnen doen of aanbieden, wordt in
de overlevering van de Kerk ‘sacrament’ genoemd. 89
De priesters moeten zichzelf dus beschouwen als levende tekenen en dragers
van die erbarming die zij niet als hun eigen bezit maar als een gave
van God aanbieden. Sterker nog, zij zijn dienaren van Gods liefde voor de
mensen, bedienaren van de barmhartigheid. Het verlangen om te dienen is een
wezenlijk element in het ambtswerk van de priester, en vraagt van de
betreffende persoon de daaraan beantwoordende morele gesteldheid. De priester
stelt Jezus tegenwoordig bij de mensen, Hij de herder die "niet gekomen is
om gediend te worden maar om te dienen" (Mt 20,28). De priester is
allereerst dienaar van Christus, maar doet dat op een wijze die noodzakelijk
vorm krijgt in edelmoedig dienen van de Kerk en haar zending.
"Hij heeft ons lief, en Hij heeft zijn bloed vergoten om onze zonden
af te wassen: Pontifex qui dilexisti nos et lavasti nos a peccatis in
sanguine tuo. Hij heeft zichzelf voor ons uitgeleverd: tradidisti
temetipsum Deo oblationem et hostiam. Christus brengt in het eeuwige
heiligdom het offer van Zichzelf, welke de prijs van onze verlossing is. Het
offer, oftewel het slachtoffer kan niet van de priester worden
gescheiden." 90 Hoewel alleen Christus tegelijk Sacerdos en
Hostia is, is zijn bedienaar, die deel heeft aan de missionaire dynamiek
van de Kerk, op sacramentele wijze sacerdos, maar met de constante
uitnodiging ook hostia te worden, en "de gezindheid die ook in
Christus Jezus was" te laten heersen (Fil 2,5). Van deze onverbrekelijke
eenheid tussen priester en slachtoffer, 91 tussen priesterschap en
eucharistie hangt de kracht af van alle evangelisatiewerk. Van de hechte
eenheid – in de heilige Geest – tussen Christus en zijn bedienaar, zonder dat
deze zich in Zijn plaats wil stellen, maar veeleer op Hem wil steunen en Hem in
en door zich wil laten handelen, hangt ook nu nog af in hoeverre de in Woord en
sacramenten vervatte goddelijke barmhartigheid werkzaam is. De woorden:
"Ik ben de ware wijnstok … Zoals een rank geen vrucht kan dragen uit eigen
kracht, maar alleen als ze verbonden blijft met de wijnstok, zo kunnen ook
jullie geen vrucht dragen als je niet met Mij verbonden blijft" (Joh
15,1.4) hebben tegelijk ook betrekking op deze band van de priester met Jezus
in het ambtswerk.
De aansporing om met Jezus hostia te worden ligt ook ten grondslag
aan het verband dat er bestaat tussen de celibaatsverplichting en het dienen van
de Kerk door de priester. Het gaat erom dat de priester wordt opgenomen in het
offer waarmee "Christus de Kerk heeft liefgehad en zich voor haar heeft
overgeleverd om haar heilig en rein te maken (Ef 5,25-26). De priester is
geroepen om een "levend beeld te zijn van Jezus Christus, de Bruidegom van
de Kerk",92 door van heel zijn leven een offergave te maken aan
haar. "Het priesterlijk celibaat is dus de gave van zichzelf in en met
Christus aan de Kerk en drukt de dienst uit van de priester aan de Kerk
in en met de Heer." 93
|