|
3. Het pastoraal werk van de priester: dienen door het volk in liefde en
met kracht te leiden
"Terwijl de priesters het ambt van Christus, Hoofd en Herder,
overeenkomstig hun aandeel in het gezag uitoefenen, brengen zij in naam van de
bisschop het gezin van God als een tot eenheid bezielde broederschap bijeen en
leiden het door Christus in de Geest naar God de Vader." 94 Het
uitoefenen van het munus regendi door de priester mag beslist niet
gezien worden als een puur sociologisch bepaalde manager-kwaliteit, maar vloeit
voort uit het sacramenteel priesterschap: "Door het wijdingssacrament
gelijkvormig gemaakt met het beeld van Christus, de hoogste en eeuwige Priester
(Heb 5,1-10; 7,24; 9,11-28), worden zij geheiligd om het evangelie te preken,
de herders van hun gelovigen te zijn en de goddelijke eredienst te
vieren als waarachtige priesters van het Nieuwe Verbond".95
Omdat zij delen in de volmacht van Christus hebben de priesters een groot
overwicht op de gelovigen. Toch weten zij dat "deze aanwezigheid van
Christus in de bedienaar niet tot het misverstand mag leiden dat deze bedienaar
nu niet onderhevig zou zijn aan menselijke zwakheid, heerszucht, dwalingen of
zelfs zonde".96 In hoeverre het woord en de leiding van de
bedienaren effect zal hebben hangt dus af van hun natuurlijke of verworven
eigenschappen op het gebied van intelligentie, wilskracht, karakter en
volwassenheid. Het besef hiervan, samen met het inzicht in de sacramentele
wortels van het pastoraal dienstwerk, brengt hen ertoe om Jezus de Goede Herder
na te volgen, en maakt de herderlijke liefde tot een onmisbare deugd voor een
vruchtbaar uitoefenen van hun ambtswerk.
"Het wezenlijk doel van hun pastorale arbeid en van het hun verleende
gezag" is "de hun toevertrouwde gemeenschap te brengen tot volledige
geestelijke en kerkelijke ontwikkeling".97 Maar "het
gemeenschapsaspect van de pastoraal ... mag de behoeften van iedere individuele
gelovige niet uit het oog verliezen .... Jezus zelf, de Goede Herder, roept
‘zijn schapen ieder bij zijn naam’ (Joh 10,3-4). Door zijn voorbeeld heeft Hij
de eerste norm bepaald voor individuele pastorale zorg: de mensen kennen en in
een hartelijke verstandhouding met hen staan." 98 In de Kerk moet
het zicht op de gemeenschap samengaan met het zicht op de individu; sterker
nog, bij de opbouw van de Kerk komt de pastor van de individuele dimensie tot
die van de gemeenschap. In zijn omgang met ieder individu en met de gemeenschap
doet de priester zijn best om iedereen met "eximia humanitate"99
te bejegenen; steeds weigert hij in dienst te staan van een bepaalde ideologie
of kliek, 100 en hij zal niet volgens de "gunst van de mensen,
maar volgens de eisen van de geloofsleer en van het christelijke leven jegens
hen optreden".101
Toch is het tegenwoordig meer dan ooit noodzakelijk de wijze waarop men
pastoraal te werk gaat aan te passen aan de situatie van samenlevingen die wel
een christelijk verleden hebben maar sterk geseculariseerd zijn. Zo gezien
krijgt het munus regendi in zijn ware missionaire zin groter betekenis,
en mag niet verward worden met een bureaucratische of organisatorische taak.
Daartoe is het nodig dat het krachtig optreden van de priester op liefdevolle
wijze geschiedt naar het voorbeeld van de pasto-rale houding van Jezus
Christus. Zoals uit de evangelies blijkt schrikt Hij nooit terug voor de met
zijn messiaans gezag samenhangende verantwoordelijkheid, maar oefent dit uit
met liefde en kracht. Vandaar dat zijn gezag nooit benauwende heerszucht is,
maar een in geest van dienstvaardigheid openstaan voor anderen. Aan deze twee
aspecten – gezag en dienstbaarheid – dient de priester zich te houden bij het
uitoefenen van het munus regendi: steeds zal hij ernaar moeten streven
zijn delen in het leven van Christus, Leider en Herder van zijn kudde,
consequent in praktijk te brengen. 102
Met de bisschop en onder zijn gezag is ook de priester de geestelijke
herder van de hem toevertrouwde gemeenschap. Uit herderlijke liefde mag hij
daarom niet vrezen zijn gezag te doen gelden op al de gebieden waarop hij dat
moet doen, want daartoe is hij in gezag gesteld. Zelfs als dit gezag met de
nodige kracht wordt uitgeoefend moet ernaar gestreefd worden "non tam
praeesse quam prodesse" (niet zozeer om de baas te zijn als wel om te
dienen). 103 Wie gezag moet uitoefenen moet veeleer op zijn hoede zijn
voor de bekoring om zich aan zijn verantwoordelijkheid te onttrekken. Want als
hij zijn gezag niet uitoefent schiet hij tekort in het dienen. In nauwe
verbondenheid met de bisschop en met alle gelovigen moet hij in de uitoefening
van zijn pastoraal dienstwerk alle heerszucht vermijden evenzeer als die vormen
van democratisch bestuur welke niet passen bij het diepste wezen van het
ambtswerk en de secularisatie van de priester en clericalisatie van de leken in
de hand werken. 104 Achter een dergelijk gedrag gaat vaak de angst
schuil om zijn verantwoordelijkheden te nemen, zich te vergissen, niet
gewaardeerd te worden, de vrees niet populair te zijn, het terugdeinzen om het
kruis te aanvaarden enzovoorts; uiteindelijk gaat het om een vertroebeling van
de ware wortel van de identiteit van de priester: de gelijkvormigheid met
Christus, Herder en Hoofd.
De nieuwe evangelisatie vraagt dat de priester op waarachtige wijze
duidelijk aanwezig is. Men moet kunnen zien dat de dienaren van Christus onder
de mensen aanwezig en voor iedereen beschikbaar zijn. Daarom is het ook van
belang dat zij hartelijk en broederlijk in de gemeenschap worden opgenomen. In
verband hiermee kan men gemakkelijk het pastoraal belang begrijpen van de
discipline betreffende het kerkelijk gewaad waaraan de priester zich niet mag
onttrekken; want het dient om openlijk teken te zijn van zijn door tijd noch
plaats beperkte toewijding aan de dienst van Christus en de naasten, de dienst
van alle mensen. 105 Hoe duidelijker een samen-leving door
secularisatie getekend is, hoe meer ze aan uiterlijke tekenen behoefte heeft.
De priester moet op zijn hoede zijn voor de tegenstrijdigheid in zijn wijze
van doen waarbij hij niet over zaken die onder zijn directe bevoegdheid vallen
gezag wil uitoefenen, maar zich wel gaat bemoeien met vraagstukken van
tijdelijke, sociale of politieke aard106 die God aan de vrije
beschikking van de mensen heeft overgelaten.
Hoewel de priester wellicht in groot aanzien staat bij de gelovigen, en op
sommige plaatsen soms ook bij het burgerlijk gezag, dient hij wel te beseffen
dat hij er nederig bij moet blijven, en dat hij zich op de juiste wijze van dit
aanzien moet bedienen ten bate van het ‘salus animarum’, zich ervan bewust dat
alleen Christus het ware Hoofd is van het volk van God: naar Hem moeten de
mensen worden gebracht, waarbij vermeden dient te worden dat zij zich hechten
aan de persoon van de priester. Ze behoren alleen aan Christus toe, want alleen
Hij heeft hen tot eer van de Vader door zijn kostbaar bloed vrijgekocht. Zo is
ook alleen Hij Meester over de bovennatuurlijke goederen en Leraar die op grond
van eigen gezag onderricht geeft. De priester is in Christus en de heilige
Geest slechts een beheerder van de hem door de Kerk toevertrouwde gaven. Als
zodanig heeft hij niet het recht om deze te verwaarlozen, te vervreemden of
naar eigen goeddunken gestalte te geven. 107 Hij heeft bijvoorbeeld
niet de bevoegdheid om aan de hem toevertrouwde gelovigen slechts enkele
waarheden van het christelijk geloof voor te houden en aan andere geen aandacht
te schenken omdat hij ze moeilijker te aanvaarden of ‘minder ter zake’ vindt.
108
Met betrekking tot de nieuwe evangelisatie en de herderlijke leiding van de
priesters moet getracht worden hen allen te helpen om te komen tot zorgvuldig
en oprecht inzicht in eigen motieven en handelen. Achter een houding van ‘zich
niet willen opdringen’ gaat misschien schuil dat het theologisch karakter van
het herderlijk ambt miskend wordt, of misschien ook gebrek aan karakter
waardoor iemand verantwoordelijkheden uit de weg gaat. Ook mag men niet te
licht denken over eventuele onjuiste gehechtheden aan bepaalde mensen of aan
bepaalde ambtelijke taken, over een heimelijk verlangen naar populariteit en
een tekortschieten in zuiverheid van bedoeling. Zonder nederigheid heeft
pastorale liefde niets te betekenen. Eigenliefde en het soms zelfs onbewust
verlangen om op te vallen kunnen schuil gaan achter een schijnbaar gemotiveerd
verzet, achter onwilligheid bij een door de bisschop voorgestelde verandering
in pastoraal werk, of achter een excentrieke manier van preken en liturgie
vieren, het niet dragen van de bij zijn staat behorende kleding of het daarin
naar eigen smaak verandering aanbrengen.
De nieuwe evangelisatie vraagt ook van de priester een nieuwe
beschikbaarheid om zijn herderlijk ambt uit te oefenen daar waar de nood het
grootst is. "Zoals het Concilie benadrukt ‘rust de geestelijke gave die de
priesters bij de wijding hebben ontvangen, hen niet uit voor een begrensde of
beperkte zending, maar voor een zeer ruime of universele heilszending tot het
uiteinde der aarde. Want iedere priesterlijke bediening deelt in de universele
en wereldomspannende zending die door Christus aan zijn apostelen is
toevertrouwd’." 109 Vanwege het tekort aan priesters in sommige
landen, gekoppeld aan de karakteristieke dynamiek van de moderne wereld, is het
bijzonder nodig te kunnen rekenen op priesters die bereid zijn niet alleen een
andere pastorale taak op zich te nemen, maar ook naar een andere stad, streek
of land te trekken naargelang de beschikbare priesters daar behoefte aan
hebben, om in iedere situatie de noodzakelijke zending te vervullen, en daarbij
hun persoonlijke voorkeuren en plannen uit liefde voor God opzij te zetten.
"Door de natuur zelf van hun ambt moeten zij dus van een diepe missionaire
geest doordrongen en bezield zijn en ‘van die waarlijk katholieke geest
waardoor zij er zich aan gewennen de grenzen van eigen bisdom, volk of ritus te
overschrijden en de noden van de gehele Kerk te lenigen, in hun hart bereid om
het evangelie overal te prediken’." 110 Een juist besef van de
particuliere Kerk, ook in de permanente vorming, mag absoluut nooit het gevoel
voor de universele Kerk verdringen, maar moet daarmee samengaan.
Suggesties om zich te bezinnen op hoofdstuk IV
21. Hoe kan door onze gemeenschappen en met name door de priesters de
barmhartigheid van God jegens de mensen in nood duidelijker gemaakt worden?
Wordt er voldoende aangedrongen op het beoefenen van de geestelijke en
lichamelijke werken van barmhartigheid als middelen om als christen te rijpen
en te evangeliseren?
22. Vormt de herderlijke liefde in alle opzichten werkelijk ‘de ziel en
kracht van de permanente vorming’ van onze priesters?
23. Worden de priesters concreet aangespoord zich met oprechte
broederlijkheid te bekommeren om al hun collega’s, met name de zieken en
bejaarden, of degenen die in moeilijkheden verkeren? Zijn er vormen van
gemeenschappelijk leven of soortgelijke experimenten?
24. Hebben onze priesters behoorlijk inzicht in hun speciale taak als
geestelijk leider van de hun toevertrouwde gemeenschap en oefenen zij deze taak
goed uit? Hoe gaat dat in concreto in zijn werk?
25. Wordt in de geestelijke vorming van de priesters voldoende aandacht
geschonken aan de missionaire dimensie van het gewijde ambt en aan de universele
dimensie van de Kerk?
26. Wordt in de prediking aan bepaalde geloofswaarheden of morele
beginselen geen aandacht geschonken?
27. Een van de eigen taken van het pastoraal ambt is het bundelen van
krachten ten behoeve van de evangelisatie-opdracht. Worden binnen de Kerk alle
roepingen aangemoedigd met eerbiediging van hun eigen charisma?
|