| Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library |
| Congregatie voor de Clerus Priester en derde millennium IntraText CT - Text |
|
|
|
Hoofdstuk III Bedienaren van de sacramenten "Helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen" (1Kor 4,1)
1. "In persona Christi Capitis" "De zending van de Kerk is geen toevoeging aan die van Christus en de heilige Geest, maar zij is er het sacrament van: in heel haar wezen en in al haar leden wordt zij gezonden om het mysterie van de gemeenschap van de heilige Drie-eenheid te verkondigen en ervan te getuigen, het te actualiseren en te verbreiden." 47 Deze sacramen-tele dimensie van haar gehele zending spruit voort uit het eigen wezen van de Kerk, "die tegelijk menselijk en goddelijk is, zichtbaar en vervuld van onzichtbare werkelijkheden, opgaande in het werk en vrij voor de beschouwing, in de wereld aanwezig en toch op pelgrimstocht".48 Binnen de samenhang van de Kerk, "universeel sacrament van het heil"49 waarin Christus "het geheim van de liefde van God voor de mens tegelijk manifesteert en realiseert",50 staan in het dienstwerk van de priesters de sacramenten centraal omdat ze de momenten bij uitstek zijn waarop het goddelijk leven aan de mens wordt meegedeeld. De priesters beseffen heel goed dat zij levende instrumenten zijn van Christus, de Hogepriester. Het is de functie van mannen die krachtens haar sacramenteel karakter gemachtigd zijn met Gods handelen mee te werken door te delen in de werkzaamheid van het instrument. Door het wijdingssacrament gelijkvormig gemaakt met Christus, staat de priester in het hart van het volk van God. Deze gelijkvormigheid doet hem op eigen wijze en overeenkomstig de organische structuur van de kerkelijke gemeenschap delen in het drievoudig munus Christi. Door te handelen in persona Christi Capitis gaat de priester het volk van God voor op de weg naar de heiligheid. 51 Daaruit volgt "de noodzaak dat de priester van zijn geloof getuigenis aflegt door heel zijn wijze van leven, maar vooral door de wijze waarop hij de sacramenten hoogacht en viert".52 Men houde steeds de klassieke leer voor de geest, die door het Tweede Vaticaans Concilie werd hernomen en die zegt: "Ofschoon de genade van God het heilswerk ook door onwaardige bedienaren kan vervullen, geeft God er toch de voorkeur aan om normaal gesproken zijn wonderwerken te tonen door hen die, ontvankelijker geworden voor de ingeving en de leiding van de heilige Geest, omwille van hun nauwe band met Christus en de heiligheid van leven met de apostel kunnen zeggen: ‘En toch leef ik, maar niet ikzelf, Christus is het die leeft in mij’ (Gal 2,20)." 53 De vieringen van de sacramenten waarbij de priesters handelen als dienaren van Christus en op speciale wijze door zijn Geest delen in zijn priesterschap, 54 zijn buitengewoon belangrijke momenten van eredienst voor de nieuwe evangelisatie. Men bedenke ook dat voor alle gelovigen, maar vooral voor hen die weliswaar in het algemeen niet praktizeren maar toch bij gelegenheid van gebeurtenissen in de familie of de samenleving (doopsels, vormsels, huwelijken, uitvaarten, priesterwijdingen, enzovoorts) tamelijk regelmatig liturgische vieringen bijwonen, deze gelegenheden tegenwoordig de enige effectieve momenten zijn geworden om de inhoud van het geloof over te dragen. Een geloofwaardige levensstijl van de ambtsdrager moet gepaard gaan met "een hoge kwaliteit van de liturgische plechtigheid":55 er mag in geen geval ge-zocht worden naar uiterlijk vertoon, maar men zorge er veeleer voor dat "in haar het menselijke in ondergeschiktheid gericht is op het goddelijke, het zichtbare op het onzichtbare, het werken op het beschouwen, het heden op de toekomstige stad waarnaar wij zoeken".56 2. Bedienaren van de eucharistie: ‘het ware centrum van het priesterambt’ "‘Vrienden’: zo noemde Jezus de apostelen. Zo wil Hij ook ons noemen, die dankzij het sacrament van de wijding deelhebben aan Zijn priesterschap. ... Kon Jezus Zijn vriendschap op een welsprekender wijze tot uitdrukking brengen dan door ons toe te staan om als priesters van het Nieuwe Verbond te handelen in Zijn naam, in persona Christi capitis? Dit is precies wat er gebeurt in heel onze priesterlijke dienst, wanneer wij de sacramenten toedienen, en in het bijzonder wanneer wij de eucharistie vieren. Wij herhalen de woorden die Hij heeft uitgesproken over het brood en de wijn, en door middel van ons dienstwerk wordt dezelfde consecratie tot stand gebracht die hij tot stand bracht. Kan er een meer volledige uitdrukking van vriendschap zijn dan dit? Zij staat precies in het middelpunt van ons priesterlijk dienstwerk." 57 De nieuwe evangelisatie moet ook voor de gelovigen een nieuw inzicht betekenen in de centrale plaats van het sacrament van de eucharistie als bron en hoogtepunt van heel het christelijk leven. 58 Enerzijds omdat "geen enkele christelijke gemeenschap opgebouwd wordt als zij niet haar oorsprong en middelpunt heeft in de viering van de heilige eucharistie",59 maar ook omdat "de overige sacramenten, evenals alle kerkelijke bedieningen en apostolaatswerken, samenhangen met de heilige eucharistie en daarop gericht staan. Want in de heilige eucharistie ligt heel het geestelijk goed van de Kerk vervat." 60 Ook is de eucharistie een doelstelling van het pastoraal werk. Om er vruchten van te plukken moeten de gelovigen erop worden voorbereid. Men stimuleert bij hen "de waardige, aandachtige en vruchtbare" deelname aan de liturgie, maar van de andere kant is het absoluut noodzakelijk hen ervan te doordringen dat zij op die wijze "worden uitgenodigd en ertoe gebracht om zichzelf, hun arbeid en al het geschapene samen met Hem op te dragen. (Daarom) is de eucharistie duidelijk de bron en het hoogtepunt van heel de prediking." 61 Deze waarheid heeft allerlei consequenties voor de pastoraal. Het is van wezenlijk belang de gelovigen duidelijk te maken wat het wezen is van het heilig Altaaroffer en hen aan te sporen tot vruchtbare deelname aan de eucharistie. 62 Ook moet onvermoeibaar en onbevreesd aangedrongen worden op het vervullen van de zondagsplicht, 63 en erop worden gewezen hoe nuttig het is vaak, zo mogelijk zelfs dagelijks, deel te nemen aan de eucharistieviering en te communie te gaan. Ze moeten gewezen worden op de strenge plicht te voldoen aan de geestelijke en lichamelijke voorwaarden voor het ontvangen van het Lichaam van Christus, en dus te beginnen met een persoonlijke biecht indien iemand van zichzelf weet niet in staat van genade te zijn. De bloei van het christelijk leven in iedere particuliere Kerk en in heel de parochiegemeenschap hangt voor een groot deel af van de herontdekking in geloof en aanbidding van de grote gave van de eucharistie. Wanneer men in het onderricht over de leer en in de prediking er niet in slaagt het verband duidelijk te maken tussen het alledaagse leven en de eucharistie, zal de regelmatige deelname aan de eucharistie tenslotte verwaarloosd worden. In dit verband is het voorbeeldig gedrag van de celebrant van wezenlijke betekenis. "Een goede wijze van celebreren is een eerste en belangrijke catechese over het heilig Offer." 64 Hoewel het natuurlijk niet de bedoeling is van de priester, is het van belang dat de gelovigen hem zich ingetogen zien voorbereiden op het opdragen van het heilig Offer, dat ze getuigen zijn van de liefde en godsvrucht waarmee hij celebreert, en dat ze van hem kunnen leren enige tijd na de communie te besteden aan de dankzegging. Terwijl een wezenlijk onderdeel van het evangelisatiewerk van de Kerk erin bestaat de mensen te leren bidden tot de Vader door Christus in de heilige Geest, brengt de nieuwe evangelisatie het hervinden en versterken met zich mee van bepaalde pastorale praktijken die de werkelijke tegenwoordigheid van de Heer onder de eucharistische gedaanten duidelijk maken. "De priester heeft tot taak de verering te stimuleren van de eucharistische tegenwoordigheid, ook buiten de viering van het misoffer, en ernaar te streven zijn Kerk tot een ‘huis van christelijk gebed’ te maken." 65 Vóór alles dienen de gelovigen grondig op de hoogte te zijn van de noodzakelijke voorwaarden om met vrucht de communie te ontvangen. Hun devotie voor Christus die op hen wacht in het tabernakel moet gestimuleerd worden. Een eenvoudige en doeltreffende manier van eucharistische catechese is de materiële zorg voor alles wat betrekking heeft op de Kerk en met name op het altaar en het tabernakel: netheid en goede smaak, voorname gewaden en liturgisch vaatwerk, zorg die besteed wordt aan het vieren van de liturgische ceremonies, 66 het verrichten van kniebuigingen enzovoorts. Bovendien moet er in de sacramentskapel een ingetogen sfeer heersen; het is een eeuwenoude traditie in de Kerk te zorgen voor de stilte die het liefdevol gesprek met de Heer mogelijk maakt. Deze kapel, of in ieder geval de plaats waar de in het sacrament aanwezige Christus wordt bewaard en aanbeden, is het hart van onze godshuizen. Als zodanig moeten we ernaar streven haar duidelijk en makkelijk toegankelijk te maken. Ze moet zo lang mogelijk dagelijks open zijn, en met ware zorg worden versierd. Het is duidelijk dat al deze uiterlijke tekenen – die niet voortkomen uit een of ander vaag ‘spiritualisme’, maar uit een theologisch gefundeerde devotie – alleen mogelijk zijn op voorwaarde dat de priester werkelijk een man van gebed is en ware liefde koestert voor de eucharistie. Alleen de geestelijke herder die bidt zal kunnen leren bidden, terwijl hij ook Gods genade zal weten af te roepen over hen voor wie hij als pastor verantwoordelijk is. Zo zal hij mensen tot bekering en tot intenser geestelijk leven kunnen brengen, roepingen weten te wekken tot het priesterschap en het godgewijd leven. Uiteindelijk zal alleen de priester die dagelijks de ‘conversatio in coelis’ beleeft en wiens leven in het teken staat van vriendschap met Christus, in staat zijn om een werkelijke impuls te geven aan een waarachtige en hernieuwde evangelisatie. 3. Bedienaren van de verzoening met God en met de Kerk In een wereld waarin het zondebesef veelal dreigt te verdwijnen67 moet er nadrukkelijk op gewezen worden dat juist het ontbreken van liefde voor God verhindert om de zonde in heel haar boosaardigheid te onderkennen. De eerste aanzet tot bekering, niet alleen als kortstondige inwendige akte, maar als een vaste gesteldheid, komt voort uit de ware kennis van de barmhartige liefde van God. "Wie God op die manier kennen en Hem zo ‘zien’, kunnen niet anders leven dan in voortdurende bekering tot Hem. Zij leven derhalve in een staat van bekering." 68 Boetvaardigheid is zo een vast erfgoed van het kerkelijk leven van de gedoopten; maar ze wordt gekenmerkt door de hoop op vergeving: "Vroeger van genade verstoken, nu begenadigd" (1Pe 2,10). De nieuwe evangelisatie eist dus – een absoluut onontkoombare pastorale eis – dat men zich inspant om de gelovigen weer te doen gaan tot het boetesacrament69 dat "voor ieder de weg effent, ook dan wanneer hij met zware schuld beladen is. Door dat sacrament kan iedere mens op bijzondere wijze barmhartigheid ondervinden, dat wil zeggen de liefde die sterker is dan de dood." 70 We mogen er niet voor terugschrikken deze sacramentele praktijk van harte aan te moedigen, terwijl we op verstandige wijze de weldadige christelijke tradities uit een ver verleden weten te vernieuwen en nieuw leven in te blazen. Men moet allereerst de gelovigen met de hulp van de heilige Geest brengen tot een diepgaande bekering die vergezeld gaat van de berouwvolle en oprechte erkenning van de zedelijke tekortkomingen in ieders leven; vervolgens moet gewezen worden op het belang van de veelvuldige persoonlijke biecht, tot men, voor zover mogelijk, komt tot echte persoonlijke geestelijke leiding. Zonder het moment van de toediening van het sacrament te verwarren met de geestelijke leiding, moeten de priesters, juist uitgaande van de viering van het sacrament, de gelegenheid weten aan te grijpen om te komen tot een gesprek waarin geestelijke leiding wordt gegeven. "De herontdekking en verspreiding van deze praktijk, ook buiten de biecht om, is een grote weldaad voor de Kerk in deze tijd." 71 Als men zo te werk gaat zal dit ertoe leiden dat men weer de betekenis en kracht van dit sacrament gaat ontdekken, en schept dit de voorwaarden om de crisis waarin het verkeert te overwinnen. Persoonlijke geestelijke leiding maakt de vorming mogelijk van echte apostelen die in staat zijn de nieuwe evangelisatie in de burgermaatschappij uit te dragen. Voor een diepgaande herevangelisatie van de talrijke gedoopten die van de Kerk vervreemd zijn, is een degelijke vorming noodzakelijk van hen die haar trouw bleven. Voor de nieuwe evangelisatie moet men kunnen rekenen op een behoorlijk aantal priesters: de ervaring van vele eeuwen leert ons dat wanneer mensen positief op een roeping reageren, dit in de meeste gevallen te danken is aan de geestelijke leiding en het voorbeeld dat de priesters geven, wanneer ze inwendig en uitwendig trouw zijn aan hun leven als priester. "De priester dient een bijzondere zorg te besteden aan de roepingenpastoraal. ... Hij zal geschikte initiatieven bevorderen om door persoonlijk contact mensen hun talenten te doen ontdekken, en hen te leren inzien dat God van hen een moedige keuze tot navolging van Christus vraagt. ... Het is een natuurlijke consequentie van de herderlijke liefde dat iedere priester – met hulp van de heilige Geest – zich erom bekommert minstens één iemand met priesterroeping te vinden die zijn priesterlijk werk kan voortzetten." 72 Wil men aan alle gelovigen werkelijk gelegenheid bieden om te gaan biechten, dan vraagt dit dat men er veel tijd aan besteedt. 73 Het is zeer aan te bevelen bepaalde tijden vast te stellen voor het biechthoren; iedereen moet ervan op de hoogte zijn, en de priester mag niet alleen maar in theorie beschikbaar zijn. Soms worden gelovigen ervan afgehouden om te gaan biechten alleen al doordat ze eerst een biechtvader moeten zoeken, terwijl ze "dit sacrament graag ontvangen wanneer zij weten dat er priesters beschikbaar zijn".74 Parochiekerken en in het algemeen bedehuizen dienen een duidelijk, tamelijk ruime en gunstig gelegen biechtkapel te hebben; de priesters dienen ervoor te zorgen dat aan de vastgestelde biechttijden vast de hand wordt gehouden. Om het de gelovigen gemakkelijk te maken te gaan biechten dient ook zorg besteed te worden aan de plaatsen waar zich de biechtstoelen bevinden: ze moeten schoon zijn, goed zichtbaar, er moet van een crates gebruikt gemaakt kunnen worden en de biechteling moet anoniem kunnen blijven, enzovoorts. 75 Het is niet altijd gemakkelijk zich aan deze zielzorgpraktijken te houden, maar dat is geen reden om te verzwijgen dat ze doeltreffend zijn en dat het een weldaad is ze in ere te herstellen, mochten ze in onbruik zijn geraakt. Voor deze zeer belangrijke beschikbaarheid dient men te stimuleren dat wereldheren en ordensgeestelijken met elkaar samenwerken. Zo moet men ook groot respect hebben voor de bewonderenswaardige wijze waarop talrijke bejaarde priesters dagelijks hun werk in de biechtstoel verrichten; ze zijn naar waarheid leermeesters in het geestelijk leven van de verschillende christelijke gemeenschappen. Heel deze dienst aan de Kerk zal veel minder zwaar vallen als de priesters zelf als eersten regelmatig gaan biechten. 76 Om de bediening van de verzoening van harte uit te oefenen is het noodzakelijk dat de priester zelf als penitent tot dit sacrament nadert. "Als een priester niet meer biecht of slecht biecht, zullen zijn priester-zijn en zijn optreden als priester er zeer spoedig onder lijden en ook de gemeenschap waarvan hij herder is, zal het bemerken." 77 "Het dienstwerk van de priesters is bovenal gemeenschap en verantwoordelijke en noodzakelijke samenwerking met het dienstwerk van de bisschop, in de zorg voor de universele Kerk en voor de afzonderlijke particuliere Kerken ten dienste waarvan zij met de bisschop één presbyterium vormen." 78 De pastorale zorg van de priester moet met name uitgaan naar hun medebroeders in het priesterschap, door hen materieel en geestelijk te ondersteunen, hun met tact gelegenheid te geven tot biecht en geestelijke leiding, hen in hun dienstwerk te stimuleren, hen bij iedere nood te helpen, en hen broederlijk in alle moeilijkheden, in hun ouderdom en bij ziekte bij te staan. Juist op dit gebied is de beoefening van de priesterdeugden van belang. Onder de deugden die vereist zijn voor een vruchtbaar uitoefenen van het dienstwerk van de verzoening is pastorale wijsheid uiterst belangrijk. Juist zoals de ambtsdrager een effectief instrument in het sacramenteel gebeuren is wanneer hij de absolutie geeft, heeft hij bij de andere biecht-handelingen tot taak de penitent met Christus in contact te brengen en hem met grote tact tot deze genadevolle ontmoeting te begeleiden. Dit betekent het vermijden van vaag gepraat, waarbij de realiteit van de zonde buiten beschouwing wordt gelaten; de biechtvader moet dus over de nodige kennis beschikken. 79 Maar tegelijk moet in het biechtgesprek zoveel begrip worden betoond dat daardoor het mensenhart langs de weg van de geleidelijkheid tot bekering wordt gebracht, zonder dat men in het minst vervalt in vervaging van de zedelijke normen. Daar de praktijk van het biechten op veel plaatsen is teruggelopen, tot grote schade voor het zedelijk leven en het goed gevormd geweten van de gelovigen, blijkt er een reëel gevaar te bestaan dat de theologische en pastorale kwaliteit bij het uitoefenen van zijn ambt als biechtvader afneemt. De biechtvader moet de Paracleet vragen hem in staat te stellen aan dit heilbrengend moment overvloedige bovennatuurlijke zin te geven, 80 en het te maken tot een ware ontmoeting van de zondaar met Jezus die vergiffenis schenkt. Tegelijk moet hij van de door de biecht geboden gelegenheid profiteren om het geweten van de penitent te vormen – een zeer belangrijke opgave –, door hem tactvol de vragen te stellen waardoor hij er zich van kan vergewissen dat de belijdenis volledig en het sacrament geldig is. Hij moet de penitent helpen God uit het diepst van zijn hart te danken voor de hem bewezen barmhartigheid, en het vaste voornemen te maken zijn leven te beteren. Steeds zal hij de penitent enige bemoedigende woorden toespreken en hem aanmoedigen om werken van boetvaardigheid te verrichten waarmee hij niet alleen voldoening geeft voor zijn zonden maar ook in deugd kan groeien. Suggesties om zich te bezinnen op hoofdstuk III 13. Wezen en heilsbetekenis van de sacramenten zijn onveranderbaar. Met deze vaste overtuiging als uitgangspunt rijst de vraag hoe de sacramentenpastoraal vernieuwd en in dienst gesteld kan worden van de nieuwe evangelisatie. 14. Zijn onze gemeenschappen een ‘Kerk van eucharistie en boetvaardigheid’? Wordt de eucharistische vroomheid in al haar vormen bevorderd? Wordt de praktijk van de individuele zondenbelijdenis gemotiveerd en gemakkelijk gemaakt? 15. Wordt regelmatig gewezen op de werkelijke tegenwoordigheid van de Heer in het tabernakel, en wordt de vruchtbare praktijk van een bezoek aan het heilig Sacrament aangemoedigd? Is er vaak een of andere vorm van verering van de eucharistie? Heerst er in onze kerken een sfeer die uitnodigt om bij het heilig Sacrament te gaan bidden? 16. Wordt in een echte pastorale geest bijzondere zorg besteed aan het onderhoud en de waardige inrichting van de kerken? Gaan de priesters in het algemeen op waardige wijze gekleed volgens de norm van het kerkelijk wetboek (vgl. canon 284, 669) en houden ze zich bij de eredienst aan de liturgische voorschriften over de gewaden (vgl. canon 929)? 17. Biechten de priesters regelmatig en stellen ze zich van hun kant beschikbaar voor dit zo fundamentele dienstwerk? 18. Worden er initiatieven genomen om de geestelijkheid permanent te vormen op het gebied van hun werk als biechtvader zodat zij dit steeds beter kunnen verrichten? Worden de pastores gestimuleerd om zich in dit onvervangbare ambtswerk te blijven bijscholen? 19. In het kader van de nieuwe evangelisatie is het van groot belang dat de praktijk van de individuele biecht tot nieuw leven komt. Worden, in verband hiermee de normen van het kerkelijk wetboek aangaande gezamenlijke absolutie geëerbiedigd? Worden in alle parochies en kerken de liturgische boetevieringen met pastorale wijsheid en liefde georganiseerd? 20. Welke concrete initiatieven worden genomen opdat de gelovigen hun zondagsplicht vervullen en de zin ervan begrijpen?
|
47. Katechismus van de Katholieke Kerk, 738. 48. Tweede Vaticaans Concilie, Constitutie over de heilige liturgie Sacrosanctum Concilium, 2. 49. Lumen gentium, 48. 50. Gaudium et spes, 45. 51. Vgl. Directorium voor het ambt en het leven van de priesters, 7b-c. 52. Johannes Paulus II, Catechese tijdens de algemene audiëntie (5 mei 1993), in: Insegnamenti XVI, 1 (1993), 1061. 53. Presbyterorum ordinis, 12. 54. Vgl. a.w., 5. 55. Johannes Paulus II, Catechese tijdens de algemene audiëntie (12 mei 1993), in: Insegnamenti XVI, 1 (1993), 1197 (verder aangeduid als Catechese 12 mei 1993). 56. Sacrosanctum Concilium, 2. 57. Johannes Paulus II, Brief aan de priesters voor Witte Donderdag (16 maart 1997), 5. 58. Vgl. Sacrosanctum Concilium, 2; 10. 59. Presbyterorum ordinis, 6. 60. A.w., 5. 61. Vgl. t.a.p. 62. Vgl. Catechese 12 mei 1993, 1197-1198. 63. Vgl. Johannes Paulus II, apostolische Brief Dies Domini (31 mei 1998), 46. 64. Directorium voor het ambt en het leven van de priesters, 49. 65. Catechese 12 mei 1993, 1198. 66. Vgl. t.a.p.; Sacrosanctum Concilium, 112, 114, 116, 120, 122-124, 128. 67. Vgl. Pius XII, Radioboodschap aan het nationaal catechetisch congres in de Verenigde Staten (26 oktober 1946), in: Discorsi e Radiomessaggi VIII (1946), 288; Reconciliatio et paenitentia, 18. 68. Johannes Paulus II, Encycliek Dives in misericordia (30 november 1980), 13. 69. Vgl. Johannes Paulus II, Catechese tijdens de algemene audiëntie (22 september 1993), in: Insegnamenti XVI, 2 (1993), 826. 70. Dives in misericordia, 13. 71. Directorium voor het ambt en het leven van de priesters, 54; vgl. Reconciliatio et paenitentia, 31. 72. Directorium voor het ambt en het leven van de priesters, 32. 73. Vgl. Presbyterorum ordinis, 13; Directorium voor het ambt en het leven van de priesters, 52. 74. Directorium voor het ambt en het leven van de priesters, 52; vgl. Presbyterorum ordinis, 13. 75. Vgl. Pauselijke Raad voor de Interpretatie van Wets-teksten, Antwoord aangaande canon 964 §2 cic (7 juli 1998), in: aas 90 (1998), 711. 76. Vgl. Presbyterorum ordinis, 18; Pastores dabo vobis, 26, 48; Johannes Paulus II, Catechese tijdens de algemene audiëntie (26 mei 1993), 4, in: Insegnamenti XVI, I (1993), 1331; Reconciliatio et paenitentia, 31; Directorium voor het ambt en het leven van de priesters, 53. 77. Reconciliatio et paenitentia, 31, VI. 78. Pastores dabo vobis, 17. 79. Wat dit betreft wordt een degelijke voorbereiding vereist over de meest voorkomende onderwerpen. Zeer nuttig blijkt het Vademecum voor de biechtvaders over enige morele onderwerpen met betrekking tot het huwelijksleven (Pauselijke Raad voor het Gezin (12 februari 1997), Libreria Editrice Vaticana 1997). 80. Vgl. a.w. |
Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library |
Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License |