Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Congregatie voor de Clerus
Priester en derde millennium

IntraText CT - Text

  • Hoofdstuk IV Liefhebbende geestelijke herders van de hun toevertrouwde kudde "Een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen" (Joh 10,11)
    • 2. Sacerdos et hostia’
Previous - Next

Click here to show the links to concordance

2. Sacerdos et hostia’

Wezenlijk voor echte barmhartigheid is dat ze een geschenk is. Ze moet als een onverdiende en vrij geschonken gave worden aanvaard die niet aan eigen verdiensten te danken is. Een dergelijke vrijgevigheid is deel van het heilsplan van de Vader, want "hierin bestaat de liefde: niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad, en Hij heeft zijn Zoon gezonden om onze zonden uit te wissen" (1Joh 4,10). En juist in dit kader vindt het gewijde ambt zijn bestaansrecht. Niemand kan aan zichzelf genade schenken: ze moet steeds geschonken en in ontvangst genomen worden. Dat veronderstelt dat er door Christus bekrachtigde en gevolmachtigde bedienaren zijn van de genade. Het gewijde ambt waardoor de van Christus gezondenen als een gave van God datgene doen en aanbieden wat ze uit zichzelf niet kunnen doen of aanbieden, wordt in de overlevering van de Kerk ‘sacrament’ genoemd. 89

De priesters moeten zichzelf dus beschouwen als levende tekenen en dragers van die erbarming die zij niet als hun eigen bezit maar als een gave van God aanbieden. Sterker nog, zij zijn dienaren van Gods liefde voor de mensen, bedienaren van de barmhartigheid. Het verlangen om te dienen is een wezenlijk element in het ambtswerk van de priester, en vraagt van de betreffende persoon de daaraan beantwoordende morele gesteldheid. De priester stelt Jezus tegenwoordig bij de mensen, Hij de herder die "niet gekomen is om gediend te worden maar om te dienen" (Mt 20,28). De priester is allereerst dienaar van Christus, maar doet dat op een wijze die noodzakelijk vorm krijgt in edelmoedig dienen van de Kerk en haar zending.

"Hij heeft ons lief, en Hij heeft zijn bloed vergoten om onze zonden af te wassen: Pontifex qui dilexisti nos et lavasti nos a peccatis in sanguine tuo. Hij heeft zichzelf voor ons uitgeleverd: tradidisti temetipsum Deo oblationem et hostiam. Christus brengt in het eeuwige heiligdom het offer van Zichzelf, welke de prijs van onze verlossing is. Het offer, oftewel het slachtoffer kan niet van de priester worden gescheiden." 90 Hoewel alleen Christus tegelijk Sacerdos en Hostia is, is zijn bedienaar, die deel heeft aan de missionaire dynamiek van de Kerk, op sacramentele wijze sacerdos, maar met de constante uitnodiging ook hostia te worden, en "de gezindheid die ook in Christus Jezus was" te laten heersen (Fil 2,5). Van deze onverbrekelijke eenheid tussen priester en slachtoffer, 91 tussen priesterschap en eucharistie hangt de kracht af van alle evangelisatiewerk. Van de hechte eenheid – in de heilige Geest – tussen Christus en zijn bedienaar, zonder dat deze zich in Zijn plaats wil stellen, maar veeleer op Hem wil steunen en Hem in en door zich wil laten handelen, hangt ook nu nog af in hoeverre de in Woord en sacramenten vervatte goddelijke barmhartigheid werkzaam is. De woorden: "Ik ben de ware wijnstok … Zoals een rank geen vrucht kan dragen uit eigen kracht, maar alleen als ze verbonden blijft met de wijnstok, zo kunnen ook jullie geen vrucht dragen als je niet met Mij verbonden blijft" (Joh 15,1.4) hebben tegelijk ook betrekking op deze band van de priester met Jezus in het ambtswerk.

De aansporing om met Jezus hostia te worden ligt ook ten grondslag aan het verband dat er bestaat tussen de celibaatsverplichting en het dienen van de Kerk door de priester. Het gaat erom dat de priester wordt opgenomen in het offer waarmee "Christus de Kerk heeft liefgehad en zich voor haar heeft overgeleverd om haar heilig en rein te maken (Ef 5,25-26). De priester is geroepen om een "levend beeld te zijn van Jezus Christus, de Bruidegom van de Kerk",92 door van heel zijn leven een offergave te maken aan haar. "Het priesterlijk celibaat is dus de gave van zichzelf in en met Christus aan de Kerk en drukt de dienst uit van de priester aan de Kerk in en met de Heer." 93




89. Vgl. Katechismus van de Katholieke Kerk, 875.



90. Brief aan de priesters voor Witte Donderdag (1997), 4.



91. Vgl. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, III, q. 83, a 1, ad 3.



92. Pastores dabo vobis, 22.



93. A.w., 29.






Previous - Next

Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License