Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Congregatie voor de Clerus
Priester en derde millennium

IntraText CT - Text

  • Hoofdstuk IV Liefhebbende geestelijke herders van de hun toevertrouwde kudde "Een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen" (Joh 10,11)
    • 3. Het pastoraal werk van de priester: dienen door het volk in liefde en met kracht te leiden
Previous - Next

Click here to show the links to concordance

3. Het pastoraal werk van de priester: dienen door het volk in liefde en met kracht te leiden

"Terwijl de priesters het ambt van Christus, Hoofd en Herder, overeenkomstig hun aandeel in het gezag uitoefenen, brengen zij in naam van de bisschop het gezin van God als een tot eenheid bezielde broederschap bijeen en leiden het door Christus in de Geest naar God de Vader." 94 Het uitoefenen van het munus regendi door de priester mag beslist niet gezien worden als een puur sociologisch bepaalde manager-kwaliteit, maar vloeit voort uit het sacramenteel priesterschap: "Door het wijdingssacrament gelijkvormig gemaakt met het beeld van Christus, de hoogste en eeuwige Priester (Heb 5,1-10; 7,24; 9,11-28), worden zij geheiligd om het evangelie te preken, de herders van hun gelovigen te zijn en de goddelijke eredienst te vieren als waarachtige priesters van het Nieuwe Verbond".95

Omdat zij delen in de volmacht van Christus hebben de priesters een groot overwicht op de gelovigen. Toch weten zij dat "deze aanwezigheid van Christus in de bedienaar niet tot het misverstand mag leiden dat deze bedienaar nu niet onderhevig zou zijn aan menselijke zwakheid, heerszucht, dwalingen of zelfs zonde".96 In hoeverre het woord en de leiding van de bedienaren effect zal hebben hangt dus af van hun natuurlijke of verworven eigenschappen op het gebied van intelligentie, wilskracht, karakter en volwassenheid. Het besef hiervan, samen met het inzicht in de sacramentele wortels van het pastoraal dienstwerk, brengt hen ertoe om Jezus de Goede Herder na te volgen, en maakt de herderlijke liefde tot een onmisbare deugd voor een vruchtbaar uitoefenen van hun ambtswerk.

"Het wezenlijk doel van hun pastorale arbeid en van het hun verleende gezag" is "de hun toevertrouwde gemeenschap te brengen tot volledige geestelijke en kerkelijke ontwikkeling".97 Maar "het gemeenschapsaspect van de pastoraal ... mag de behoeften van iedere individuele gelovige niet uit het oog verliezen .... Jezus zelf, de Goede Herder, roept ‘zijn schapen ieder bij zijn naam’ (Joh 10,3-4). Door zijn voorbeeld heeft Hij de eerste norm bepaald voor individuele pastorale zorg: de mensen kennen en in een hartelijke verstandhouding met hen staan." 98 In de Kerk moet het zicht op de gemeenschap samengaan met het zicht op de individu; sterker nog, bij de opbouw van de Kerk komt de pastor van de individuele dimensie tot die van de gemeenschap. In zijn omgang met ieder individu en met de gemeenschap doet de priester zijn best om iedereen met "eximia humanitate"99 te bejegenen; steeds weigert hij in dienst te staan van een bepaalde ideologie of kliek, 100 en hij zal niet volgens de "gunst van de mensen, maar volgens de eisen van de geloofsleer en van het christelijke leven jegens hen optreden".101

Toch is het tegenwoordig meer dan ooit noodzakelijk de wijze waarop men pastoraal te werk gaat aan te passen aan de situatie van samenlevingen die wel een christelijk verleden hebben maar sterk geseculariseerd zijn. Zo gezien krijgt het munus regendi in zijn ware missionaire zin groter betekenis, en mag niet verward worden met een bureaucratische of organisatorische taak. Daartoe is het nodig dat het krachtig optreden van de priester op liefdevolle wijze geschiedt naar het voorbeeld van de pasto-rale houding van Jezus Christus. Zoals uit de evangelies blijkt schrikt Hij nooit terug voor de met zijn messiaans gezag samenhangende verantwoordelijkheid, maar oefent dit uit met liefde en kracht. Vandaar dat zijn gezag nooit benauwende heerszucht is, maar een in geest van dienstvaardigheid openstaan voor anderen. Aan deze twee aspecten – gezag en dienstbaarheid – dient de priester zich te houden bij het uitoefenen van het munus regendi: steeds zal hij ernaar moeten streven zijn delen in het leven van Christus, Leider en Herder van zijn kudde, consequent in praktijk te brengen. 102

Met de bisschop en onder zijn gezag is ook de priester de geestelijke herder van de hem toevertrouwde gemeenschap. Uit herderlijke liefde mag hij daarom niet vrezen zijn gezag te doen gelden op al de gebieden waarop hij dat moet doen, want daartoe is hij in gezag gesteld. Zelfs als dit gezag met de nodige kracht wordt uitgeoefend moet ernaar gestreefd worden "non tam praeesse quam prodesse" (niet zozeer om de baas te zijn als wel om te dienen). 103 Wie gezag moet uitoefenen moet veeleer op zijn hoede zijn voor de bekoring om zich aan zijn verantwoordelijkheid te onttrekken. Want als hij zijn gezag niet uitoefent schiet hij tekort in het dienen. In nauwe verbondenheid met de bisschop en met alle gelovigen moet hij in de uitoefening van zijn pastoraal dienstwerk alle heerszucht vermijden evenzeer als die vormen van democratisch bestuur welke niet passen bij het diepste wezen van het ambtswerk en de secularisatie van de priester en clericalisatie van de leken in de hand werken. 104 Achter een dergelijk gedrag gaat vaak de angst schuil om zijn verantwoordelijkheden te nemen, zich te vergissen, niet gewaardeerd te worden, de vrees niet populair te zijn, het terugdeinzen om het kruis te aanvaarden enzovoorts; uiteindelijk gaat het om een vertroebeling van de ware wortel van de identiteit van de priester: de gelijkvormigheid met Christus, Herder en Hoofd.

De nieuwe evangelisatie vraagt dat de priester op waarachtige wijze duidelijk aanwezig is. Men moet kunnen zien dat de dienaren van Christus onder de mensen aanwezig en voor iedereen beschikbaar zijn. Daarom is het ook van belang dat zij hartelijk en broederlijk in de gemeenschap worden opgenomen. In verband hiermee kan men gemakkelijk het pastoraal belang begrijpen van de discipline betreffende het kerkelijk gewaad waaraan de priester zich niet mag onttrekken; want het dient om openlijk teken te zijn van zijn door tijd noch plaats beperkte toewijding aan de dienst van Christus en de naasten, de dienst van alle mensen. 105 Hoe duidelijker een samen-leving door secularisatie getekend is, hoe meer ze aan uiterlijke tekenen behoefte heeft.

De priester moet op zijn hoede zijn voor de tegenstrijdigheid in zijn wijze van doen waarbij hij niet over zaken die onder zijn directe bevoegdheid vallen gezag wil uitoefenen, maar zich wel gaat bemoeien met vraagstukken van tijdelijke, sociale of politieke aard106 die God aan de vrije beschikking van de mensen heeft overgelaten.

Hoewel de priester wellicht in groot aanzien staat bij de gelovigen, en op sommige plaatsen soms ook bij het burgerlijk gezag, dient hij wel te beseffen dat hij er nederig bij moet blijven, en dat hij zich op de juiste wijze van dit aanzien moet bedienen ten bate van het ‘salus animarum’, zich ervan bewust dat alleen Christus het ware Hoofd is van het volk van God: naar Hem moeten de mensen worden gebracht, waarbij vermeden dient te worden dat zij zich hechten aan de persoon van de priester. Ze behoren alleen aan Christus toe, want alleen Hij heeft hen tot eer van de Vader door zijn kostbaar bloed vrijgekocht. Zo is ook alleen Hij Meester over de bovennatuurlijke goederen en Leraar die op grond van eigen gezag onderricht geeft. De priester is in Christus en de heilige Geest slechts een beheerder van de hem door de Kerk toevertrouwde gaven. Als zodanig heeft hij niet het recht om deze te verwaarlozen, te vervreemden of naar eigen goeddunken gestalte te geven. 107 Hij heeft bijvoorbeeld niet de bevoegdheid om aan de hem toevertrouwde gelovigen slechts enkele waarheden van het christelijk geloof voor te houden en aan andere geen aandacht te schenken omdat hij ze moeilijker te aanvaarden of ‘minder ter zake’ vindt. 108

Met betrekking tot de nieuwe evangelisatie en de herderlijke leiding van de priesters moet getracht worden hen allen te helpen om te komen tot zorgvuldig en oprecht inzicht in eigen motieven en handelen. Achter een houding van ‘zich niet willen opdringen’ gaat misschien schuil dat het theologisch karakter van het herderlijk ambt miskend wordt, of misschien ook gebrek aan karakter waardoor iemand verantwoordelijkheden uit de weg gaat. Ook mag men niet te licht denken over eventuele onjuiste gehechtheden aan bepaalde mensen of aan bepaalde ambtelijke taken, over een heimelijk verlangen naar populariteit en een tekortschieten in zuiverheid van bedoeling. Zonder nederigheid heeft pastorale liefde niets te betekenen. Eigenliefde en het soms zelfs onbewust verlangen om op te vallen kunnen schuil gaan achter een schijnbaar gemotiveerd verzet, achter onwilligheid bij een door de bisschop voorgestelde verandering in pastoraal werk, of achter een excentrieke manier van preken en liturgie vieren, het niet dragen van de bij zijn staat behorende kleding of het daarin naar eigen smaak verandering aanbrengen.

De nieuwe evangelisatie vraagt ook van de priester een nieuwe beschikbaarheid om zijn herderlijk ambt uit te oefenen daar waar de nood het grootst is. "Zoals het Concilie benadrukt ‘rust de geestelijke gave die de priesters bij de wijding hebben ontvangen, hen niet uit voor een begrensde of beperkte zending, maar voor een zeer ruime of universele heilszending tot het uiteinde der aarde. Want iedere priesterlijke bediening deelt in de universele en wereldomspannende zending die door Christus aan zijn apostelen is toevertrouwd’." 109 Vanwege het tekort aan priesters in sommige landen, gekoppeld aan de karakteristieke dynamiek van de moderne wereld, is het bijzonder nodig te kunnen rekenen op priesters die bereid zijn niet alleen een andere pastorale taak op zich te nemen, maar ook naar een andere stad, streek of land te trekken naargelang de beschikbare priesters daar behoefte aan hebben, om in iedere situatie de noodzakelijke zending te vervullen, en daarbij hun persoonlijke voorkeuren en plannen uit liefde voor God opzij te zetten. "Door de natuur zelf van hun ambt moeten zij dus van een diepe missionaire geest doordrongen en bezield zijn en ‘van die waarlijk katholieke geest waardoor zij er zich aan gewennen de grenzen van eigen bisdom, volk of ritus te overschrijden en de noden van de gehele Kerk te lenigen, in hun hart bereid om het evangelie overal te prediken’." 110 Een juist besef van de particuliere Kerk, ook in de permanente vorming, mag absoluut nooit het gevoel voor de universele Kerk verdringen, maar moet daarmee samengaan.

Suggesties om zich te bezinnen op hoofdstuk IV

21. Hoe kan door onze gemeenschappen en met name door de priesters de barmhartigheid van God jegens de mensen in nood duidelijker gemaakt worden? Wordt er voldoende aangedrongen op het beoefenen van de geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid als middelen om als christen te rijpen en te evangeliseren?

22. Vormt de herderlijke liefde in alle opzichten werkelijk ‘de ziel en kracht van de permanente vorming’ van onze priesters?

23. Worden de priesters concreet aangespoord zich met oprechte broederlijkheid te bekommeren om al hun collega’s, met name de zieken en bejaarden, of degenen die in moeilijkheden verkeren? Zijn er vormen van gemeenschappelijk leven of soortgelijke experimenten?

24. Hebben onze priesters behoorlijk inzicht in hun speciale taak als geestelijk leider van de hun toevertrouwde gemeenschap en oefenen zij deze taak goed uit? Hoe gaat dat in concreto in zijn werk?

25. Wordt in de geestelijke vorming van de priesters voldoende aandacht geschonken aan de missionaire dimensie van het gewijde ambt en aan de universele dimensie van de Kerk?

26. Wordt in de prediking aan bepaalde geloofswaarheden of morele beginselen geen aandacht geschonken?

27. Een van de eigen taken van het pastoraal ambt is het bundelen van krachten ten behoeve van de evangelisatie-opdracht. Worden binnen de Kerk alle roepingen aangemoedigd met eerbiediging van hun eigen charisma?




94. Presbyterorum ordinis, 6.



95. Lumen gentium, 28.



96. Katechismus van de Katholieke Kerk, 1550.



97. Johannes Paulus II, Catechese bij de algemene audiëntie (19 mei 1993), 2, in: Insegnamenti XVI, 1 (1993), 1254.



98. A.w., 4.



99. Presbyterorum ordinis, 6a.



100. Vgl. a.w., 6g.



101. A.w., 6a.



102. Vgl. Directorium voor het ambt en het leven van de priesters, 17.



103. Augustinus, Ep. 134, 1, in: csel, 44, 85.



104. Vgl. Directorium voor het ambt en het leven van de priesters, 19; Johannes Paulus II, Toespraak bij het symposium ‘Collaboration des laïcs au ministère pastoral des prêtres’ (22 april 1994), 4, in: Sacrum Ministerium 1 (1995), 64; Instructie over enige vragen betreffende de medewerking van lekengelovigen aan het dienstwerk van de priesters, voorwoord.



105. Vgl. Directorium voor het ambt en het leven van de priesters, 66.



106. Vgl. Katechismus van de Katholieke Kerk, 2442; cic, can. 227; Directorium voor het ambt en het leven van de priesters, 33.



107. Vgl. Sacrosanctum Concilium, 22; cic, can. 846; Directorium voor het ambt en het leven van de priesters, 49 en 64.



108. Vgl. Pastores dabo vobis, 26; Johannes Paulus II, Catechese bij de algemene audiëntie (21 april 1993), in: Insegnamenti XVI, 1 (1993), 938; Directorium voor het ambt en het leven van de priesters, 45.



109. Pastores dabo vobis, 18; vgl. Presbyterorum ordinis, 10.



110. Pastores dabo vobis, 18; vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Decreet over de priesteropleiding Optatam totius, 20.






Previous - Next

Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License