Chapter, Paragraph
1 I,6 | bij hen die zich over hun eigen leven hebben bezonnen om
2 I,10 | Jubeljaar. Elk had zijn eigen karakter en gaf een boodschap
3 II,17 | van leven hebben ze met eigen ogen gezien, ze hebben Hem
4 II,17 | hebben Hem gehoord en met eigen handen aangeraakt (cf. 1
5 II,18 | luisteren, al of niet tot eigen voordeel. ~De evangelieverhalen
6 II,23 | een antropologie die haar eigen grenzen kan overstijgen
7 II,23 | overstijgen en die haar eigen contradicties kan overwinnen
8 III,30| veeleer om een intrinsieke en eigen dynamiek in het daglicht
9 III,40| ondanks haar vele zwakheden, eigen aan het menselijke, zich
10 III,40| gebeuren in respect voor de eigen weg die ieder persoon in
11 III,40| krijgt op die wijze dat de eigen waarden van ieder volk niet
12 IV,43 | dat we aan de ander "een eigen plaats" geven, door "elkaars
13 IV,46 | het doopsel ontvangt, hun eigen betekenis. In het bijzonder
14 IV,46 | steeds beter de roeping die eigen is aan de leken dienen te
15 IV,48 | elementen, als de gaven die eigen zijn aan de Kerk van Christus,
16 IV,48 | van Jezus, en niet op onze eigen bekwaamheid, steunt ons
17 IV,49 | men getuigenis af van de eigen stijl van Gods liefde, zijn
18 IV,51 | met misprijzen voor de eigen waardigheid van elk menselijk
19 IV,52 | moeten behartigen om zo hun eigen roeping te realiseren, zonder
20 IV,52 | eschatologische spanning eigen aan het christendom. Dit
|