Chapter, Paragraph
1 Inl,1 | hart het woord dat Jezus na zijn onderricht van de menigte,
2 Inl,2 | baken. Vijfendertig jaar na het Tweede Vaticaans Oecumenisch
3 Inl,3 | aangebroken voor elke Kerk om na te denken over wat de Geest
4 I,4 | laten aanvoelen dat er ook na tweeduizend jaar geschiedenis
5 I,15 | programma vastleggen voor na het Jubeljaar. ~Het is echter
6 II,19 | Christus dat de apostelen na de verrijzenis aanschouwde
7 II,19 | geloof te aanvaarden. Slechts na een moeizame geestelijke
8 II,28 | uit de dood kon redden. Na de doorstane angst is Hij
9 II,28 | voetspoor van Petrus, die na zijn verloochening bitter
10 III,29 | Jeruzalem, onmiddellijk na zijn pinkstertoespraak: "
11 III,29 | te kennen, te beminnen, na te volgen om in Hem het
12 III,35 | herinnering aan die "eerste dag na de sabbat" (cf. Mc 16,2.
13 III,37 | van de zware zonden die na het doopsel werden bedreven". (25)
14 III,40 | de apostolische prediking na Pinksteren. Mogen we bezield
15 IV,45 | en verruimd worden, dag na dag, op elk niveau, in heel
16 IV,48 | van een vernieuwde horizon na dit Jubeljaar richt ik mij
17 Besl,59| is, wijd open te houden. ~Na de geestdrift van het Jubeljaar
18 Besl,59| Maria moeten wij navolgen: na haar pelgrimstocht naar
|