Chapter, Paragraph
1 Inl,1 | richtte. Hiermee nodigt Hij hem uit . naar het diepe
2 Inl,1 | Christus is, binnengetreden. Hij is de eindbestemming van
3 Inl,1 | jubelen: "Dank de Heer, want Hij is goed, zijn liefde kent
4 I,4 | door de profeten, heeft Hij nu, op het einde van de
5 I,4 | David uw Redder geboren; Hij is de Messias, de Heer" (
6 I,4 | zijn verbaasde stadgenoten. Hij paste de profetie van Jesaja
7 I,5 | en menselijk mysterie, is Hij fundament en centrum van
8 I,5 | centrum van de geschiedenis. Hij is er de zin en het uiteindelijke
9 I,7 | te danken voor alles wat Hij in de loop van de eeuwen,
10 I,10 | herhaalden wat Jezus deed toen hij "in hun midden een kind
11 I,13 | overwegen op Golgota, waar Hij zijn leven heeft gegeven
12 II,16 | Christus. maar toon ons wie Hij is. Heeft de Kerk immers
13 II,18 | te zijn (Lc 3,22), begint Hij te prediken dat de komst
14 II,19 | zijde" (ibid.) verzekerde hij hen van de overweldigende
15 II,19 | kwam enkel tot geloof nadat hij persoonlijk de verrezen
16 II,19 | cf. Joh 20,24-29). Hoewel hij Jezus' lichaam gezien en
17 II,19 | enkel door het geloof dat hij ten volle kon binnentreden
18 II,19 | mensen" over Hem zeggen. Hij krijgt als antwoord: "volgens
19 II,19 | is Jezus heel anders! Wat Hij van de zijnen verwacht,
20 II,20 | in dezelfde zin wanneer hij schrijft dat dit gesprek
21 II,20 | leerlingen plaats vond toen Hij "eens aan het bidden was" (
22 II,20 | Woord is vlees geworden! Hij is onder ons zijn tent komen
23 II,20 | gezien, de heerlijkheid die Hij als eniggeboren Zoon aan
24 II,20 | Vader ontleende, vervuld als Hij was van genade en waarheid" (
25 II,21 | zijn moeder Maria ontving Hij de menselijke natuur die,
26 II,22 | vlees geworden is" en dat Hij in alles het menselijk bestaan
27 II,22 | van de heerlijkheid die Hij bezit van alle eeuwigheid (
28 II,23 | lichten" (Ps 67,2). En omdat Hij tezelfdertijd God en mens
29 II,23 | tezelfdertijd God en mens was heeft Hij ons ook het ware gelaat
30 II,23 | van de mens laten zien, "Hij heeft ten volle de mens
31 II,23 | Christus opgenomen en deelt hij in de intimiteit van het
32 II,24 | erkennen en het bewustzijn dat Hij zelf hiervan had. Is het
33 II,24 | wil verduidelijken wanneer hij de eerste woorden van Jezus
34 II,24 | van Jezus vermeldt, die Hij, toen Hij nauwelijks twaalf
35 II,24 | vermeldt, die Hij, toen Hij nauwelijks twaalf jaar was,
36 II,24 | bewust, zo blijkt het, dat Hij zich in een unieke relatie
37 II,24 | relatie bevindt met God, dat Hij namelijk de 'Zoon' is. Want
38 II,24 | niet ve rwon derlijk dat Hij, eens volwassen, op een
39 II,24 | ogenblik aan het bewustzijn dat Hij heeft van zichzelf: "De
40 II,24 | mogen aannemen dat terwijl "Hij een wijs en volwassen man
41 II,24 | inderdaad te doden want: "Hij tastte niet alleen de sabbat
42 II,24 | niet alleen de sabbat aan, Hij noemde ook nog God zijn
43 II,24 | zekerheid te ondermijnen die Hij bezit: de Zoon te zijn van
44 II,25 | alle scherpte voorstellen. Hij wordt overweldigd door het
45 II,25 | heel alleen met God, roept Hij Hem aan op zijn tedere,
46 II,25 | vertrouwvolle wijze: "Abba, Vader". Hij vraagt Hem, als het mogelijk
47 II,25 | zijn Vader richt, maakt Hij gebruik van de eerste verzen
48 II,26 | allen. Op het ogenblik dat Hij onze zonden op zich neemt, "
49 II,26 | zich neemt, "verlaten" als Hij zich voelt door zijn Vader, "
50 II,26 | door zijn Vader, "geeft Hij zich over" in de handen
51 II,26 | kennis en ervaring die alleen Hij van God bezat, ziet Hij,
52 II,26 | Hij van God bezat, ziet Hij, zelfs in dit uur van duisternis,
53 II,26 | gewicht van de zonde en Hij lijdt er onder. Alleen Hij,
54 II,26 | Hij lijdt er onder. Alleen Hij, die zijn Vader ziet en
55 II,27 | beulen (cf. Lc 23,34) terwijl Hij eveneens aan zijn Vader
56 II,28 | beeld van de gekruisigde. Hij is verrezen! "En als Christus
57 II,28 | zijn sterfelijk leven heeft Hij onder luid geroep en onder
58 II,28 | Na de doorstane angst is Hij verhoord. Hoewel Hij Gods
59 II,28 | is Hij verhoord. Hoewel Hij Gods Zoon was, heeft Hij
60 II,28 | Hij Gods Zoon was, heeft Hij in de school van het lijden
61 II,28 | gehoorzaamheid geleerd; en toen Hij tot de voleinding was gekomen,
62 II,28 | voleinding was gekomen, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen,
63 II,28 | liefde voor Christus liet hij blijken met een begrijpelijk
64 II,28 | gevoel van schaamte toen hij zei "Heer, Gij weet toch
65 III,30 | Christus tonen, voor wie Hij zich heeft overgeleverd,
66 III,35 | stevig in zijn handen draagt, Hij, de "Koning der koningen
67 III,38 | met zijn genade en nodigt Hij ons uit om alle hulpmiddelen
68 III,40 | niet voor zichzelf houden; hij moet Hem verkondigen. We
69 IV,42 | door het "nieuwe gebod" dat Hij ons gegeven heeft, zouden
70 IV,49 | tegenwoordigheid van Gods Zoon. Hij gaf zijn Kerk een voorkeur
71 IV,54 | Jezus over zichzelf zegt als Hij zich laat kennen als "het
72 IV,54 | wereld" (Joh 8, 12) en als Hij aan zijn leerlingen vraagt
73 IV,55 | moet steeds meer worden wat Hij is: een naam van vrede en
74 IV,56 | zozeer bemind heeft dat Hij zijn enige Zoon heeft geschonken" (
75 IV,56 | van God die "waait waar Hij wil" (Joh 3,8) doorheen
76 Besl,58| In dit Cenakel verscheen Hij "de eerste dag van de week" (
|