Chapter, Paragraph
1 Inl,1 | Jubeljaar ten einde loopt waarin wij de voorbije tweeduizend
2 Inl,2 | ontcijferd worden zodat wij zouden luisteren naar wat
3 I,6 | geschitterd heeft. Hoe zouden wij de ontroerende liturgie
4 I,7 | twintigste eeuw te verzamelen. Wij hebben ze herdacht op 7
5 I,9 | ontmoetingen tot uitdrukking kwam. ~Wij denken op een bijzondere
6 II,20 | maken er ons op attent dat wij, met onze menselijke krachten
7 II,21 | mogelijke scheiding (11). ~Wij weten wel dat onze begrippen
8 II,25 | tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods gerechtigheid
9 III,29 | Heer onder ons, stellen wij vandaag de vraag, die tot
10 III,29 | pinkstertoespraak: "Wat moeten wij doen?" (Hnd 2,37). ~Wij
11 III,29 | wij doen?" (Hnd 2,37). ~Wij hebben ons met optimisme
12 III,29 | verschillende culturen? Laten wij dit rijk patrimo nium niet
13 III,29 | pastoraal werk. Een werk waar wij allen bij betrokken zijn.
14 III,32 | gemeenschappelijk gebed. Maar wij weten ook dat het gebed
15 III,33 | in aantrekkelijke vormen. Wij die de genade bezitten in
16 III,33 | Verlosser van de wereld, wij hebben de plicht te tonen
17 III,33 | met de Bruidegom". Kunnen wij, temidden van zoveel lichtende
18 III,35 | heerlijkheid zal wederkeren. Wij weten niet welke gebeurtenissen
19 III,35 | millennium dat aanbreekt, maar wij zijn zeker dat Christus
20 III,36 | consequent christelijk leven. Wij treden een millennium binnen
21 III,37 | medelijdend hart en worden wij met Hem verzoend. Wij dienen
22 III,37 | worden wij met Hem verzoend. Wij dienen opnieuw het gelaat
23 III,38 | van het koninkrijk. Maar wij dienen er ons voor te hoeden
24 III,38 | hoeden te vergeten dat "wij zonder Christus niets kunnen
25 III,38 | in ons hart achterlaten. Wij ervaren dan wat de leerlingen
26 III,38 | De hele nacht hebben wij ons al afgetobd zonder iets
27 III,40 | voeden met het Woord, opdat wij "dienaars van het Woord"
28 III,40 | In dit Jubeljaar hebben wij ons vooral verheugd over
29 III,40 | een edelmoedige openheid. Wij moeten dit hartverwarmend
30 III,40 | Heer ons toevertrouwt opdat wij het vrucht laten dragen. ~
31 III,41 | 41. Mogen wij in deze hoopgevende, vernieuwde
32 III,41 | eeuw en het millennium waar wij nu voor staan? We waren
33 IV,42 | bewaren" (Joh 13,35). Indien wij, geliefde broeders en zusters,
34 IV,42 | hymne aan de liefde: ook als wij de taal van mensen en engelen
35 IV,42 | bergen te verzetten", maar wij hebben de liefde niet, dan
36 IV,43 | millennium dat we beginnen, als wij trouw willen zijn aan Gods
37 IV,43 | zijn aan Gods plan en als wij op de diepe verwachtingen
38 IV,43 | wantrouwen veroorzaken. Laten wij ons geen illusies maken:
39 IV,45 | te komen. ~Daartoe moeten wij die oude wijsheid beleven
40 IV,47 | het historische moment dat wij nu beleven, nu men een onderhuidse
41 IV,48 | 48. Hoe dringend moeten wij nu de communio in het delicate
42 IV,48 | geloof in de ene Kerk": wat wij in de geloofsbelijdenis
43 IV,48 | menselijke kwetsbaarheid waarmee wij de gave ontvangen die voortdurend
44 IV,48 | vruchten voortbrengen. Laten wij dus vol vertrouwen onze
45 IV,48 | naar het ogenblik waarop wij samen met alle leerlingen
46 IV,49 | armsten ons kan leiden. Als wij werkelijk uitgaan van de
47 IV,49 | beschouwing van Christus, moeten wij Hem ook kunnen ontdekken
48 IV,50 | eindeloos groter wanneer wij de nieuwe vormen van armoede
49 IV,50 | ervaren. ~Daartoe dienen wij zo te handelen dat in alle
50 IV,51 | uitdagingen ~51. Hoe kunnen wij overigens de ogen sluiten
51 IV,54 | niet allen zien dit licht. Wij hebben de prachtige en veeleisende
52 IV,54 | ons doet huiveren wanneer wij onze zwakheid zien die ons
53 IV,54 | zending is mogelijk, als wij in het licht van Christus
54 IV,55 | In dit perspectief staan wij ook voor de grote uitdaging
55 IV,55 | interreligieuze dialoog die wij ook in deze nieuwe eeuw
56 IV,56 | onverschilligheid. Als christenen hebben wij de plicht een dialoog te
57 IV,56 | Pt 3, 15) aan te bieden. Wij moeten niet vrezen dat de
58 IV,56 | vervult, een goed nieuws dat wij moeten verkondigen. ~De
59 IV,56 | openstaat om te luisteren. Wij weten immers dat, ten aanzien
60 IV,57 | geeft ons een kompas, waarop wij kunnen vertrouwen, om ons
61 Besl,58| DUC in ALTUM! ~58. Laten wij nu hoopvol verdergaan! Een
62 Besl,58| een wijdse oceaan waarop wij ons wagen in het vertrouwen
63 Besl,58| vandaag nog zijn werk verder: wij moeten een doordringende
64 Besl,58| in contact te treden dat wij dit Jubeljaar hebben gevierd?
65 Besl,58| Nu nodigt Christus die wij beschouwd en bemind hebben,
66 Besl,58| het eerste uur kenmerkte: wij kunnen vertrouwen op de
67 Besl,58| meer alert zijn wanneer wij weer op de wegen van de
68 Besl,59| van het Jubeljaar komen wij niet opnieuw in de alledaagse
69 Besl,59| tocht die op ons wacht. Wij moeten het elan van de apostel
70 Besl,59| contemplatie bij Maria moeten wij navolgen: na haar pelgrimstocht
71 Besl,59| grote nieuws te melden: "Wij hebben de Heer gezien!" (
|