Een
concreet teken
53. Om een teken te geven van deze oriëntatie van de caritas en van de
promotie van de mens, die hun wortels vinden in de diepe vereisten van het
evangelie, heb ik gewild dat het Jubeljaar zelf (samen met de vele vruchten van
de caritas in de loop van dit jaar - ik denk dan in het bijzonder aan de hulp
die aan talrijke armere broeders en zusters is geboden om hen toe te laten aan
het jubileum deel te nemen -) ook een concreet werk nalaat dat in zekere zin de
vrucht en het waarmerk van de caritas in het Jubeljaar is. Vele pelgrims hebben
immers, op verscheidene wijzen, hun offergave ingebracht en samen met hen
hebben ook vele verantwoordelijken uit de economische wereld edelmoedig hun
bijdragen geleverd voor een gepaste realisatie van dit jubileumgebeuren.
Nadat de rekeningen van de uitgaven zijn afgesloten, zal het geld dat men
gespaard heeft, besteed worden voor caritatieve doeleinden. Het is immers
belangrijk dat geen enkele schijn van economische speculatie aanwezig zou zijn
voor zulk een betekenisvol religieus gebeuren. Het saldo zal dienen voor een
nieuw initiatief, in de lijn van wat steeds weer in de kerkgeschiedenis
gebeurde, vanaf de gemeenschap van Jeruzalem die aan niet-christenen het
ontroerend gebeuren liet zien van een spontane uitwisseling van gaven tot en
met de gemeenschap van goederen met de armsten (cf. Hand 2, 44-45).
Het initiatief dat zal opgenomen worden, zal slechts een kleine beek zijn, maar
die beek zal in de grote stroom van de caritas uitmonden die door de geschiedenis
loopt. Een kleine, maar betekenisvolle beek: het Jubeljaar heeft de wereld naar
Rome doen opkijken, naar de Kerk die "voorgaat in de liefde"
(38) om zo aan Petrus een offergave aan te bieden. Vandaag keert deze
liefde, die zich als het ware in het hart van de Catholica manifesteerde, terug
naar de wereld door dit teken dat de vrucht en de levende herinnering wil zijn
van de communio die men ervaren heeft naar aanleiding van dit jubileum.
|