59. Geliefde broeders en zusters, de symbolische heilige deur
wordt achter ons gesloten. Maar dit gebeurt om meer dan ooit de levende deur
die Christus is, wijd open te houden.
Na de geestdrift van het Jubeljaar komen wij niet opnieuw in de alledaagse
grijsheid terecht. Integendeel, als onze pelgrimstocht authentiek was, zijn
daardoor onze benen soepeler geworden voor de tocht die op ons wacht. Wij
moeten het elan van de apostel Paulus overnemen: "Me richtend op wat voor
me ligt, streef ik naar het doel: de prijs van de hemelse roeping die God in
Christus Jezus tot mij richt" (Fil 3, 13-14). En ook de contemplatie bij Maria
moeten wij navolgen: na haar pelgrimstocht naar de heilige stad Jeruzalem,
keerde zij naar haar huis in Nazaret terug, terwijl ze in haar hart trouw het
geheim van haar Zoon bewaarde (cf. Lc 2, 51).
Moge de verrezen Jezus, die met ons op weg ging zoals met de leerlingen van
Emmaüs en door hen herkend werd bij het "breken van het Brood"
(Lc 24, 35), ons waakzaam vinden en bereid om zijn gelaat te herkennen en zo
naar onze broeders en zusters toe te lopen en hun het grote nieuws te melden:
"Wij hebben de Heer gezien!" (Joh 20,25).
Dit zijn de zozeer verlangde vruchten van het Jubeljaar 2000 dat ons zo
levendig het Mysterie van Jezus van Nazaret, Zoon van God en Verlosser van de
mensen, voor ogen heeft gesteld.
Moge op dit ogenblik dat het Jubeljaar wordt besloten om ons verder open te
stellen voor een hoopvolle toekomst, de lof en de dankzegging van heel de Kerk
zich richten tot de Vader, de Zoon en de Heilige Geest!
Met deze wens geef ik allen, vanuit de grond van mijn hart, mijn zegen.
Vaticaan, 6 januari
2001, plechtigheid van de Openbaring van de Heer, in het drieëntwintigste
jaar van mijn pontificaat.
Johannes Paulus II
|