1. BIJ DE AANVANG VAN HET NIEUWE MILLENNIUM, nu het grote
Jubeljaar ten einde loopt waarin wij de voorbije tweeduizend jaar vierden sinds
Jezus' geboorte, breekt er voor de Kerk een nieuwe etappe aan. Nogmaals
weerklinkt in ons hart het woord dat Jezus na zijn onderricht van de menigte,
vanuit de boot van Simon, tot deze apostel richtte. Hiermee nodigt Hij hem uit
. naar het diepe te varen. voor de visvangst: "Duc in altum" (Lc
5,4). Petrus en zijn gezellen vertrouwden op het woord van Christus en wierpen
de netten uit: "... en ze vingen zo'n massa vis dat hun netten ervan
scheurden" (Lc 5,6).
Duc in altum! Dit woord wordt ook vandaag tot ons gericht en nodigt ons uit om
dankbaar voor het verleden, met geestdrift het heden te beleven en om met
vertrouwen open te staan voor wat komt: "Jezus Christus is dezelfde,
gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid" (Heb 13,8).
Met grote vreugde heeft de Kerk dit voorbije jaar het gelaat van haar bruidegom
en Heer beschouwd. Meer dan ooit werd ze een volk onderweg, geleid door Hem die
"de grote herder van de schapen" is (Heb 13,20). Vanuit een
uitzonderlijke dynamiek waarin velen werden opgenomen, is het Volk van God in
Rome, in Jeruzalem en in alle lokale Kerken door 'de heilige deur' die Christus
is, binnengetreden. Hij is de eindbestemming van de geschiedenis en de enige
Verlosser van de wereld; tot Hem hebben de Kerk en de Geest geroepen
"Marana tha" - "Kom, Heer Jezus" (cf. Apk 22,17.20; 1Kor
16,22).
Het is onmogelijk om te evalueren wat de genade in de loop van het jaar in de
harten heeft bewerkt. Maar het staat vast dat "een stroom van leven",
die voortdurend ontspringt aan de "troon van het Lam" (cf. Apk 22,1),
de hele Kerk heeft doordrenkt. Het is het water van de Geest dat de dorst lest
en ons nieuw maakt (cf. Joh 4,14). Het is de barmhartige liefde van de Vader
die zich nogmaals aan ons heeft geopenbaard in Christus. Aan het eind van dit
jaar mogen we opnieuw met het oude danklied jubelen: "Dank de Heer, want
Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen" (Ps 118,1).
|