3. Bovenal, geliefde broeders en zusters, moeten we ons richten op de toekomst.
We hebben de jongste maanden vaak uitgekeken naar het nieuwe millennium. Het
Jubeljaar was niet enkel een herdenken van het verleden maar ook een profetie
voor de toekomst. We moeten de genade die we hebben ontvangen nu omzetten in
vaste voornemens en concrete daden. Het is een opgave waartoe ik alle lokale
Kerken wil uitnodigen. In elk van deze Kerken die, verzameld rond hun bisschop,
luisteren naar het Woord en broederlijk verenigd zijn in het "breken van
het Brood" (cf. Hnd 2,42), is "de ene, heilige, katholieke en
apostolische Kerk waarlijk aanwezig en werkt ze zich uit" (1). Het
is vooral in elke Kerk dat het mysterie van het ene Godsvolk een gestalte
aanneemt die haar in staat stelt zich aan te passen aan de veranderende contexten
en de verschillende culturen.
Het geworteld zijn van de Kerk in tijd en ruimte weerspiegelt in laatste
instantie de beweging zelf van de Incarnatie. Daarom is de tijd aangebroken
voor elke Kerk om na te denken over wat de Geest in dit bijzonder genadejaar aan
het Godsvolk heeft gezegd en ook in de langere periode tussen het Tweede
Vaticaans Concilie en het grote Jubeljaar. Iedere Kerk dient haar vurigheid te
onderzoeken en een nieuw elan voor een spiritueel en pastoraal engagement te
ontwikkelen. Daarom wil ik, vanuit het dienstambt van Petrus, tot besluit van
dit Jubeljaar met deze brief er toe bijdragen dat de Kerk zich steeds meer
manifesteert in de verscheidenheid van haar gaven en de eenheid van haar
zending.
|