De
weg van het geloof
19. "Vreugde vervulde de leerlingen toen ze de Heer zagen" (Joh
20,20). Het gelaat van Christus dat de apostelen na de verrijzenis aanschouwde
was hetzelfde als dit van Jezus, met wie ze gedurende ongeveer drie jaren samen
hadden geleefd. In het tonen van "zijn handen en zijn zijde" (ibid.)
verzekerde hij hen van de overweldigende realiteit van zijn nieuw leven.
Gemakkelijk zal het voor hen zeker niet geweest zijn om dit in geloof te
aanvaarden. Slechts na een moeizame geestelijke zoektocht zijn de leerlingen
van Emmaüs tot geloof gekomen (cf. Lc 24,13-35). De apostel Thomas kwam
enkel tot geloof nadat hij persoonlijk de verrezen Heer ontmoet had (cf. Joh
20,24-29). Hoewel hij Jezus' lichaam gezien en aangeraakt had, was het in
werkelijkheid enkel door het geloof dat hij ten volle kon binnentreden in het
mysterie van dit gelaat. Dit was trouwens een ervaring die ook de leerlingen
moesten doormaken tijdens het historische leven van Jezus; dit blijkt uit de
vragen die bij hen opkwamen telkens wanneer zij ge conf ronteerd werden met de
daden of de woorden van de Heer. We kunnen maar echt tot bij Jezus komen langs
de weg van het geloof, een weg waarvan het evangelie zelf het verloop schijnt
aan te geven in het bekende tafereel in de streek van Caesarea van Filippus
(cf. Mt 16,13-20). Jezus geeft de indruk een eerste balans te willen opmaken
van zijn zending en ondervraagt zijn leerlingen over wat "de mensen"
over Hem zeggen. Hij krijgt als antwoord: "volgens sommigen Johannes de
Doper, volgens anderen Elia, volgens weer anderen Jeremia of een van de profeten"
(Mt 16,14). Ongetwijfeld een pertinent antwoord, maar hoever is dit nog
verwijderd van de waarheid. Het volk zal wel de uitzonderlijke religieuze
dimensie van die "Rabbi", wiens uitspraken hen zo sterk boeiden,
opgemerkt hebben, maar het was nog niet in staat om Hem te plaatsen boven de
mannen van God die de geschiedenis van Israël hebben bepaald. In
werkelijkheid is Jezus heel anders! Wat Hij van de zijnen verwacht, is juist
die bijkomende stap naar de kennis die met de diepste realiteit van zijn persoon
te maken heeft: "En jullie, wie ben Ik volgens jullie?" (Mt 16, 15).
Enkel de geloofsbelijdenis van Petrus, en met hem van de Kerk van alle tijden,
brengt ons tot de kern die de diepte van het mysterie raakt: "U bent de
Messias, de Zoon van de levende God" (Mt 16,16).
|