23. "Tot U zegt mijn hart: 'Ik zocht uw gelaat.' Uw gelaat blijf ik
zoeken" (Ps 27,8). De aloude verzuchting van de psalmist kon niet beter en
mooier verhoord worden dan in het aanschouwen van het gelaat van Christus. In
Hem heeft God ons waarachtig gezegend en laat God "zijn aanschijn over ons
lichten" (Ps 67,2). En omdat Hij tezelfdertijd God en mens was heeft Hij
ons ook het ware gelaat van de mens laten zien, "Hij heeft ten volle de
mens aan hemzelf geopenbaard". (12)
Jezus is "de nieuwe mens" (cf. Ef 4,24; Kol 3,10) die de verloste
mensheid oproept te delen in zijn goddelijk leven. In het mysterie van de
menswording werd de grondslag gelegd voor een antropologie die haar eigen grenzen
kan overstijgen en die haar eigen contradicties kan overwinnen om tot God zelf
te komen; meer nog, om te komen tot de 'vergoddelijking'. Hierbij wordt de
verloste mens in Christus opgenomen en deelt hij in de intimiteit van het leven
binnen de Drie-eenheid. De kerkvaders hebben sterk de nadruk gelegd op deze
soteriologische dimensie van het mysterie van de menswording. Het is enkel
omdat de Zoon van God waarachtig mens geworden is dat de mens in staat is in
Hem en door Hem werkelijk kind van God te worden (13).
|