Het
gelaat van een lijdende
25. Wanneer we Christus' gelaat beschouwen moeten we ook het meest paradoxale
aspect van zijn mysterie durven onder ogen zien, zoals het zich in het uur van
zijn dood op het kruis manifesteert. Voor dit dubbel aspect van het mysterie
kan de mens slechts in aanbidding neerknielen.
De doodstrijd van Jezus in de Olijfhof kunnen we ons in alle scherpte
voorstellen. Hij wordt overweldigd door het vooruitzicht van de beproeving die
Hem wacht en, heel alleen met God, roept Hij Hem aan op zijn tedere,
vertrouwvolle wijze: "Abba, Vader". Hij vraagt Hem, als het mogelijk
is, deze beker van Hem weg te nemen (cf. Mc 14,36). Maar de Vader schijnt de
kreet van zijn Zoon niet te willen horen. Om aan de mensheid het gelaat van de
Vader terug te schenken, moest Jezus niet alleen het gelaat van de mens
aannemen, maar ook het "gelaat" van de zonde op zich nemen: "Hem
die geen zonde heeft gekend, heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij
door Hem Gods gerechtigheid zouden worden" (2 Kor 5,21).
Nooit zullen we de ondoorgrondelijke diepte van dit mysterie kunnen peilen. De
gruwelijke scherpte van deze paradox komt tot uiting in die smartelijke kreet
van schijnbare wanhoop, wanneer Jezus op het kruis uitroept: "Eloi, Eloi,
lema sabachtani?". Dat betekent: "Mijn God, mijn God, waarom hebt U
Mij in de steek gelaten?" (Mc 15,34). Kan men zich een gruwelijker
kwelling, een diepere duisternis voorstellen? We willen zeker niet de
werkelijkheid van die onnoembare smart ontkennen, maar we mogen ook niet het
volgende uit het oog verliezen: bij het beklemmende "waarom" dat
Jezus tot zijn Vader richt, maakt Hij gebruik van de eerste verzen van psalm
22; die woorden moeten we begrijpen in het licht van het hele gebed waarin de
psalmist in een ontroerende vermenging van gevoelens, lijden en vertrouwen
samen onder woorden brengt. Want de psalm gaat inderdaad als volgt verder:
"Onze vaderen vertrouwden op U, vertrouwden op U, en U hebt hen gered;
Blijf niet ver van mij, want ongeluk nadert, en er is geen mens die mij
helpt" (Ps 22,5.12).
|