26. Dierbare broeders en zusters, de kreet van Jezus op het
kruis is geen kreet van wanhoop maar wel het gebed van de Zoon die in liefde
zijn leven aan zijn Vader aanbiedt voor het heil van allen. Op het ogenblik dat
Hij onze zonden op zich neemt, "verlaten" als Hij zich voelt door
zijn Vader, "geeft Hij zich over" in de handen van zijn Vader. Zijn
ogen blijven op zijn Vader gevestigd. Juist omwille van de unieke kennis en
ervaring die alleen Hij van God bezat, ziet Hij, zelfs in dit uur van
duisternis, op een heldere manier, het gewicht van de zonde en Hij lijdt er
onder. Alleen Hij, die zijn Vader ziet en er ook intens mee verbonden is, kan
ten volle beseffen wat het betekent zich, in de zonde, te verzetten tegen de
liefde van de Vader. Zijn lijden is dan ook veel meer dan louter lichamelijk
lijden; het is eerst en vooral, en dat in veel hogere mate, een gruwelijke
zielenpijn. In de theologische traditie heeft men vaak de vraag gesteld hoe het
mogelijk was dat Jezus tezelfder tijd twee zo tegenstrijdige erva ringen kon
beleven en verwerken: enerzijds de diepe eenheid en verbondenheid met zijn
Vader, die van nature de bron is van vreugde en zaligheid, en anderzijds een
doodstrijd die uitmondt in een kreet van verlatenheid. De gelijktijdige
aanwezigheid van twee schijnbaar onverenigbare elementen is in werkelijkheid
ingebed in de onpeilbare diepte van de hypostatische vereniging.
|