Het
gelaat van de verrezen Heer
28. Weliswaar zal de Kerk nooit ophouden, zoals dit uitdrukkelijk gebeurt op
Goede Vrijdag en Stille Zaterdag, het bebloede gelaat van Jezus voor ogen te
houden, want in dit gelaat is Gods leven verborgen aanwezig en is het heil aan
de wereld geschonken. Maar bij het beschouwen van Christus' gelaat mogen we
niet blijven stilstaan bij het beeld van de gekruisigde. Hij is verrezen!
"En als Christus niet is opgestaan, dan is onze prediking zonder inhoud en
uw geloof leeg (1 Kor 15,14). Jezus' verrijzenis was het antwoord van de Vader
op zijn gehoorzaamheid, zoals geschreven staat in de brief aan de
Hebreeën: "In de dagen van zijn sterfelijk leven heeft Hij onder luid
geroep en onder tranen gebeden en gesmeekt tot God, die Hem uit de dood kon
redden. Na de doorstane angst is Hij verhoord. Hoewel Hij Gods Zoon was, heeft
Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd; en toen Hij tot de
voleinding was gekomen, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen, oorzaak geworden
van eeuwige redding" (Heb 5,7-9).
Voortaan houdt de Kerk haar ogen gevestigd op de verrezen Christus. Ze doet dit
in het voetspoor van Petrus, die na zijn verloochening bitter weende, maar zich
daarna terug op weg begaf; zijn liefde voor Christus liet hij blijken met een
begrijpelijk gevoel van schaamte toen hij zei "Heer, Gij weet toch dat ik
U bemin" (cf. Joh 21,15-17). Ze zet haar weg verder met de apostel Paulus,
die op weg naar Damascus in een bliksemflits Christus ontmoette: "Voor mij
is leven Christus en sterven winst" (Fil 1,21).
Tweeduizend jaar later beleeft de Kerk die gebeurtenissen opnieuw alsof ze pas
nu plaats hadden. In Christus' gelaat bewondert de Kerk, zijn Bruid, haar
schat, haar bron van vreugde. "Dulcis Jesu memoria, dans vera cordis
gaudia"; hoe zoet is de herinnering aan Jezus, de bron van de ware vreugde
van het hart! Deze ervaring sterkt de Kerk om haar weg verder te zetten, om bij
het begin van dit derde millennium Christus aan de wereld te verkondigen: "Jezus
Christus is dezelfde gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid" (Heb 13,8).
|