De
heiligheid
30. Eerst en vooral aarzel ik niet te zeggen dat iedere pastoraal dient te
gebeuren in het perspectief van de heiligheid. Is dit niet de uiteindelijke
betekenis van de jubileumaflaat als een bijzondere genade, door Christus
aangeboden, opdat het leven van elke gedoopte in de diepte zou gezuiverd en
vernieuwd worden?
Ik wens dat velen die aan het jubileum deelgenomen hebben, deze genade
ontvangen hebben, in het bewustzijn van haar veeleisend karakter. Nu het
Jubeljaar voorbij is, herneemt het leven zijn gewone gang, maar het oproepen
tot heiligheid blijft meer dan ooit een pastorale noodzaak.
Daartoe dienen we hoofdstuk V van de dogmatische Constitutie over de Kerk,
Lumen gentium, gewijd aan "de universele oproep tot heiligheid", in
zijn volle betekenis te herontdekken. Als de concilievaders zoveel belang aan
dit onderwerp hebben gehecht, was het niet om een soort spirituele noot aan de
ecclesiologie toe te voegen, maar veeleer om een intrinsieke en eigen dynamiek
in het daglicht te stellen. De herontdekking van de Kerk als "mysterie",
dat wil zeggen als "het verenigde volk dat deel heeft aan de eenheid van
Vader, Zoon en de heilige Geest", (16) kon alleen maar leiden tot
de herontdekking van haar "heiligheid". Heiligheid, in de
fundamentele zin van het woord als het toebehoren aan Hem, die de Heilige is
bij uitstek, de "driemaal Heilige" (cf. Js 6,3). Zeggen dat de Kerk
heilig is, betekent dat we haar gezicht als Bruid van Christus tonen, voor wie
Hij zich heeft overgeleverd, juist om haar te heiligen (cf. Ef 5,25-26). Deze
gave die we 'objectief' kunnen noemen, wordt iedere gedoopte aangebod en.
Maar de gave houdt op haar beurt een opdracht in die heel ons christelijk leven
moet bepalen "want dit is de wil van God: dat u zich heiligt" (1 Tes
4,3). Het gaat om een engagement dat zich niet beperkt tot sommige christenen:
"Alle christengelovigen, tot welke stand of staat zij ook behoren, zijn
geroepen tot de volheid van het christelijk leven en de volmaaktheid van de
liefde". (17)
|