Het
Woord verkondigen
40. Ons voeden met het Woord, opdat wij "dienaars van het Woord"
zouden zijn in zending en evangelisatie, is zeker bij het begin van het nieuwe
millennium, een prioriteit voor de Kerk. We dienen er voortaan van uit te gaan
dat ook in landen met een oude evangelisatie, de tijd waarin men sprak over een
'christelijke samenleving' voorbij is, een samenleving die ondanks haar vele
zwakheden, eigen aan het menselijke, zich uitdrukkelijk bekende tot de
evangelische waarden. Vandaag dient men moedig een situatie onder ogen te zien
die steeds meer gediversifieerd en indringender wordt, en zich voltrekt in een
context van mondialisering en een wisselende mozaïek van volkeren en
culturen. De voorbije jaren heb ik vele keren opgeroepen tot een nieuwe
evangelisatie. Vandaag herhaal ik deze oproep en nodig u uit om het elan van
het eerste begin te versterken en u te laten doordringen van de ijver van de
apostolische prediking na Pinksteren. Mogen we bezield worden door de woorden
van Paulus: "Wee mij als ik het evange lie niet verkondigde" (I Kor
9,16).
Deze passie kan enkel een nieuwe missionaire geest in de Kerk oproepen die niet
enkel de zaak van een groep 'specialisten' zal zijn maar die de
verantwoordelijkheid van alle leden van het Godsvolk dient te engageren. Wie
Christus werkelijk ontmoet heeft, kan dit niet voor zichzelf houden; hij moet
Hem verkondigen. We dienen tot een nieuw apostolisch elan te komen dat beleefd
wordt als een dagelijks engagement van gemeenschappen en christelijke groepen.
Dit zal echter dienen te gebeuren in respect voor de eigen weg die ieder
persoon in het geloof gaat en met aandacht voor de verschillende culturen
waarin de christelijke boodschap gestalte krijgt op die wijze dat de eigen
waarden van ieder volk niet ontkend maar uitgezuiverd en tot volheid worden
gebracht.
Het christendom van het derde millennium zal steeds meer rekening dienen te
houden met deze eis tot inculturatie. Het zal tegelijkertijd zichzelf blijven
in absolute trouw aan de evangelische boodschap en de kerkelijke traditie, en
het gelaat aannemen van de ontelbare culturen en volkeren waar het aangenomen
en geworteld is. In dit Jubeljaar hebben wij ons vooral verheugd over de
schoonheid van het veelvormige gelaat van de Kerk. Het is wellicht maar een
begin, een nauwelijks ontworpen icoon van de toekomst die Gods Geest ons
voorbereidt.
We dienen met vertrouwen Christus aan allen te verkondigen: aan volwassenen,
families, jongeren, kinderen, zonder de meest radicale eisen van de
evangelische boodschap te verzwijgen. Toch dienen we rekening te houden met de
gevoeligheden en de taal van eenieder, naar het voorbeeld van Paulus: "Ik
ben alles wat je maar wilt om in elk geval een paar mensen te redden" (I
Kor 9,22). Terwijl ik deze aanbevelingen formuleer, denk ik vooral aan de
jongerenpastoraal. Zoals ik reeds zei, gaven de jongeren in het Jubeljaar blijk
van een edelmoedige openheid. Wij moeten dit hartverwarmend getuigenis naar
waarde schatten en hun enthousiasme ruimte geven als een nieuw talent (cf. Mt
25,15) dat de Heer ons toevertrouwt opdat wij het vrucht laten dragen.
|