|
IV. GETUIGEN VAN DE
LIEFDE
42. "Daaraan zal iedereen kunnen zien dat je leerlingen
van mij bent: als jullie onder elkaar de liefde bewaren" (Joh 13,35).
Indien wij, geliefde broeders en zusters, werkelijk het gelaat van Christus
hebben beschouwd, is het ondenkbaar dat onze pastorale plannen niet door het
"nieuwe gebod" dat Hij ons gegeven heeft, zouden geïnspireerd
worden: "Met de liefde die Ik jullie heb toegedragen, moeten jullie ook
elkaar liefhebben" (Joh 13,34).
Het andere grote domein waarvoor men zich, op het niveau van de universele Kerk
en van de plaatselijke Kerken, resoluut moet inzetten, is de
"communio" (koinonia), de gemeenschap, die het wezenlijke van het
mysterie van de Kerk belichaamt en tot uitdrukking brengt. Deze gemeenschap is
de vrucht en de uitdrukking van de liefde die ontspringt aan het hart van de
hemelse Vader. Ze is in ons hart uitgestort door de Geest die Jezus ons schenkt
(cf. Rom 5,5), om ons zo "één van hart en ziel" te
maken (Hnd 4,32). Door deze liefdesgemeenschap op te bouwen, manifesteert de
Kerk zich als "sacrament", dit wil zeggen "het teken en het
instrument van de intieme eenheid met God en van de eenheid van heel het
menselijk geslacht". (27)
De woorden van de Heer daarover zijn zo duidelijk dat men de draagwijdte ervan
niet kan verzwakken. Ook in deze nieuwe eeuw zal veel nodig zijn voor de tocht
van de Kerk in de geschiedenis; maar als de liefde (agapè) ontbreekt,
zal alles nutteloos zijn. De apostel Paulus zelf herinnert hieraan in zijn
hymne aan de liefde: ook als wij de taal van mensen en engelen spreken en een
geloof bezitten "om bergen te verzetten", maar wij hebben de liefde
niet, dan betekent dit alles "niets" (cf. 1 Kor 13,2). De liefde is
werkelijk het "hart" van de kerk, zoals de Heilige Theresia van
Lisieux het reeds had voorvoeld, deze heilige die ik tot kerklerares heb
uitgeroepen als expert in de scientia amoris: "Ik begreep dat de Kerk een
hart had en dat dit hart van liefde brandde. Ik begreep dat alleen de Liefde de
ledematen van de Kerk doet handelen (...). Ik begreep dat de Liefde alle andere
roepingen in zich insluit, dat de Liefde alles is". (28)
|