Oecumenisch
engagement
48. Hoe dringend moeten wij nu de communio in het delicate domein van het
oecumenisch engagement bevorderen! Spijtig genoeg, achtervolgt de droevige
erfenis van het verleden ons nog altijd over de drempel van het nieuwe
millennium heen. De viering van het Jubeljaar heeft enkele echt profetische,
ontroerende signalen laten zien. Maar er is nog een lange weg af te leggen.
Omdat dit Jubeljaar het mogelijk maakte onze blik op Christus te richten,
werden we bewuster gemaakt van de Kerk als mysterie van eenheid. "Ik
geloof in de ene Kerk": wat wij in de geloofsbelijdenis uitspreken vindt
zijn ultieme grondslag in Christus, in wie de Kerk niet verdeeld is (cf. 1 Kor
1,11-13). Als zijn Lichaam, in de eenheid die een gave van de Geest is, is zij
ondeelbaar. De verdeeldheid speelt zich af op het terrein van de geschiedenis,
in de betrekkingen tussen de kinderen van de Kerk; ze is een gevolg van onze
menselijke kwetsbaarheid waarmee wij de gave ontvangen die voortdurend vanuit
Christus - Hoofd van het Mystieke Lichaam - wordt gegeven. Het gebed van Jezus
in het Cenakel - "dat ze allen één mogen zijn zoals U, Vader,
in mij en Ik in U" (Joh 17,21) - is tegelijk openbaring en smeekgebed. Dit
gebed openbaart ons de eenheid van Christus met zijn Vader, die de bron van de
eenheid van de Kerk is, en tegelijk ook de voortdurende gave die de Kerk op een
geheimzinnige wijze in Hem ontvangt t ot a an het einde van de tijd. Deze
eenheid, die zich concreet realiseert in de katholieke Kerk, ondanks de
begrensdheid van al wat menselijk is, werkt ook in verschillende graden door in
de talrijke elementen van heiliging en waarheid in de schoot van andere Kerken
en kerkelijke gemeenschappen; deze elementen, als de gaven die eigen zijn aan
de Kerk van Christus, stuwen hen onophoudelijk voort naar de volle eenheid.
(35)
Het gebed van Christus herinnert ons eraan dat het noodzakelijk is deze gave te
ontvangen en ze op een steeds diepere wijze te laten groeien. Het gebed
"ut unum sint - opdat allen een zijn" is tegelijk een imperatief die
ons verplicht, een kracht die ons steunt, een heilzame aanklacht van onze
traagheid en onze bekrompenheid van hart. Juist op dit gebed van Jezus, en niet
op onze eigen bekwaamheid, steunt ons vertrouwen om ook in de geschiedenis ooit
de volle en zichtbare communio van alle christenen te bereiken.
In het perspectief van een vernieuwde horizon na dit Jubeljaar richt ik mij
heel hoopvol naar de Kerken van het Oosten, met de wens dat de uitwisseling van
gaven die de Kerk van het eerste millennium heeft verrijkt in volheid opnieuw
mag hervatten. Moge de herinnering aan de tijd toen de Kerk met twee longen
ademhaalde, de christenen van Oost en West aanzetten om samen op weg te gaan,
in de eenheid van het geloof en in eerbied voor de gerechtvaardigde
verscheidenheid, door voor elkaar ontvankelijk te zijn en elkaar wederzijds te
steunen als ledematen van het éne Lichaam van Christus.
Met een gelijkaardig engagement dient de oecumenische dialoog met de broeders
en zusters van de Anglicaanse communio en met de kerkgemeenschappen die uit de
Reformatie zijn ontstaan, voortgezet te worden. De theologische confrontatie
over de wezenlijke punten van het geloof en de moraal, de samenwerking in de
liefde, en vooral de grote oecumene van de heiligheid, kunnen, met Gods hulp,
niet anders dan in de toekomst hun vruchten voortbrengen. Laten wij dus vol
vertrouwen onze tocht verder zetten, uitkijkend naar het ogenblik waarop wij
samen met alle leerlingen van Christus, zonder uitzondering, met volle stem
kunnen zingen: "Wat is het toch goed, wat is het heerlijk om als broeders
en zusters eendrachtig samen te wonen" (Ps 133, 1).
|