|
I. DE ONTMOETING MET
CHRISTUS, ERFENIS VAN HET JUBELJAAR
4. "We danken U, Heer, God, Albeheerser" (Apk
11,17). In de Bul tot afkondiging van het Jubeljaar 2000 drukte ik de wens uit
dat de viering van tweeduizend jaar mysterie van de Menswording beleefd zou worden
als "een unieke, ononderbroken lofzang tot de Drie-eenheid"
(2) en tevens "een weg tot verzoening en een teken van authentieke
hoop voor hen die opzien naar Christus en zijn Kerk" (3). De
ervaring van het jubeljaar heeft zich gemoduleerd naar deze vitale dimensies en
bereikte op sommige momenten een intensiteit die ons bijna tastbaar Gods
barmhartigheid liet aanvoelen, van wie "elke goede gave en elk volmaakt
geschenk" (Jak 1,17) uitgaat.
Ik denk eerst en vooral aan de dimensie van de lofprijzing. Daar ligt de
oorsprong van elk authentiek gelovig antwoord op de openbaring van God in
Christus. Het christendom is genade, het is de verrassing dat God niet enkel de
schepper van de wereld en de mens is willen zijn, maar ook gelijk is geworden
aan zijn schepsel "nadat God vroeger vele malen en op velerlei wijze tot
de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij nu, op het einde van de
dagen, tot ons gesproken door de Zoon" (Heb 1,1-2).
In die dagen! Ja, het jubileum heeft ons laten aanvoelen
dat er ook na tweeduizend jaar geschiedenis geen afbreuk is gedaan aan de
frisheid van dit . heden. , waarmee de engelen aan de herders de wondere
gebeurtenis van de geboorte van Jezus te Betlehem hebben aangekondigd:
"Vandaag is in de stad van David uw Redder geboren; Hij is de Messias, de
Heer" (Lc 2,11). Tweeduizend jaar zijn verstreken, maar meer dan ooit
blijft de verkondiging levend die Jezus deed over zijn zending in de synagoge
van Nazaret ten aanzien van zijn verbaasde stadgenoten. Hij paste de profetie
van Jesaja toe op zichzelf: "Vandaag is het schriftwoord dat u gehoord
hebt in vervulling gegaan" (Lc 4,21). Tweeduizend jaar zijn voorbij, maar
de zondaars die nood hebben aan ontferming - en wie heeft dit niet? - vinden
nog steeds troost in dit . heden. van het heil dat op het Kruis de deuren van
het Rijk Gods heeft geopend voor de rouwmoedige moordenaar: "Ik beloof je,
vandaag nog zul je bij Mij zijn in het paradijs" (Lc 23,43).
|