Part, Article
1 I,3 | 1. Tenzij deze wegens hun bijzondere aard of krachtens
2 I,3 | bepaalde Dicasterien kunnen aan hun vergadering clerici en ook
3 I,5 | 2. Bij het bereiken van hun vijfenzeventigste levensjaar
4 I,5 | verzocht om de afstand van hun ambt aan de Paus aan te
5 I,5 | Secretarissen verliezen hun taak bij het bereiken van
6 I,5 | taak bij het bereiken van hun vijfenzeventigste levensjaar;
7 I,5 | Leden bij het bereiken van hun tachtigste levensjaar; wie
8 I,5 | houden bij het verval van hun taak op om Lid te zijn. ~
9 I,6 | Leden van de Dicasterien van hun taak ontslagen. De Kamerheer
10 I,9 | bieden; en toe te staan dat hun gelovigen en hun leden,
11 I,9 | staan dat hun gelovigen en hun leden, als dat nodig is,
12 I,12 | zorgvuldig te bestuderen en hun mening daarover, gewoonlijk
13 I,13 | ervan de zaken, die wegens hun bijzonder belang, door hun
14 I,13 | hun bijzonder belang, door hun natuur of rechtens aan de
15 I,18 | die binnen de grenzen van hun bevoegdheid zijn uitgevaardigd. ~
16 I,26 | algemeen karakter hebben, dient hun advies te worden ingewonnen. ~§
17 I,26 | documenten of de documenten die hun particuliere Kerken in het
18 I,27 | Kerken aangaan, waar zij hun taak uitoefenen, alsook
19 I,32 | met aandacht onderzocht en hun opmerkingen worden aan de
20 I,34 | onderscheiden Dicasterien streven hun eigen doelen na, maar werken
21 I,34 | moeten dit zo realiseren, dat hun werkzaamheden in elkaar
22 I,35 | priester zich overeenkomstig hun kracht aan de zielzorg,
23 II,41 | zonder vooroordeel van hun autonomie de relaties tussen
24 II,41 | Dicasterien te bevorderen en hun werken te coordineren; het
25 II,41 | van de Heilige Stoel en hun werken, vooral wat de particuliere
26 II,48 | en wijziging ervan en van hun vergaderingen. ~§ 2. Zeker
27 III,59 | wat betreft de personen en hun status, hun rechten en plichten.
28 III,59 | personen en hun status, hun rechten en plichten. Ze
29 III,60 | met Visitatoren zorg voor hun spirituele behoeften, en
30 III,66 | of bevestigt ofwel keurt hun statuten (volgens de rechtsnormen);
31 III,75 | van heilige relikwieen en hun bewaring aangaan. ~
32 III,82 | communiceert zij de conclusies wat hun bisdommen betreft, schriftelijk
33 III,83 | zij ontvangt de acten van hun vergaderingen en de decreten
34 III,84 | de Curie, die het vanwege hun competentie aangaat, als
35 III,91 | de aangelegenheden, die hun missionarissen zowel individueel
36 III,94 | van de Bisschoppen en van hun Conferenties, behandelt
37 III,95 | meebrengen, zij coordineert hun voortgang en staat hen bij,
38 III,96 | clerici, vooral wat betreft hun heiliging en wat betreft
39 III,96 | vruchtbare uitoefening van hun pastoraal dienstwerk, vooral
40 III,101 | blijven. De werken echter die hun eigen functie verloren hebben,
41 III,108 | tradities groeien en bloeien, hun eigen doel trouw nastreven
42 III,109 | onderwijzing van de leden, hun rechten en hun plichten,
43 III,109 | de leden, hun rechten en hun plichten, de dispensatie
44 III,110 | religieuzen op te richten, hun statuten goed te keuren
45 III,110 | keuren en ook te waken, dat hun activiteit zich richt op
46 III,111 | eremieten-leven, de maagden-orde en hun verenigingen en de verdere
47 III,114 | Bisschoppen bij, opdat in hun Kerken de roepingen voor
48 III,114 | seminaries op te richten en hun statuten goed te keuren. ~
49 III,115 | aangelegenheden de Christengelovigen hun ambten kunnen vervullen
50 III,117 | ze goed, zij bekrachtigt hun statuten, zij oefent het
51 III,117 | Universiteiten van Studies en hun verenigingen en beschermt
52 IV,123 | handelingen in de uitoefening van hun functie; ~4? de competentiegeschillen
53 V,134 | de missie van de Kerk op hun eigen wijze deelnemen, zowel
54 V,134 | verenigingen, en vooral dat zij hun bijzonder ambt vervullen,
55 V,135 | hebben, richt zij op en keurt hun statuten goed of beoordeelt
56 V,137 | coordineert ze en bewaakt hun activiteiten. ~§ 3. Na de
57 V,138 | Dicasterie worden behandeld naar hun aard geloofsvragen raken,
58 V,140 | families, en begunstigt hun rechten en hun waardigheid
59 V,140 | begunstigt hun rechten en hun waardigheid binnen de Kerk
60 V,140 | steeds beter in staat zijn de hun eigen taken te vervullen. ~
61 V,142 | samenwerking met de Bisschoppen en hun Conferenties, dat de menselijke
62 V,148 | dat beide Instituten bij hun werzaamheden gemeenschappelijk
63 V,150 | hen, die gedwongen waren hun vaderland te verlaten of
64 V,151 | zich bewust wordt van hun behoeftigheid en dat de
65 V,154 | volgens de christelijke leer hun inzet te kunnen vervullen,
66 V,154 | het aan passende steun om hun eigen werk te kunnen uitoefenen,
67 V,157 | Dicasterieen bij, om hen op hun verzoek behulpzaam te zijn,
68 V,158 | Bisschoppen, opdat deze op hun juridische aard worden onderzocht.
69 V,171 | opdat zij inderdaad aan hun eigen aard en taak beantwoorden,
70 VI,172 | opgaven te verlangen over hun economische staat en over
71 VI,172 | staat en over de staat van hun vermogen, alsook de informaties (
72 VIII,184| Dicasterieen van de Romeinse Curie hun hulp te bieden. ~
73 VIII,186| zwaarwichtige reden kunnen ze van hun taak ontheven worden. a
74 VIII,186| jarige leeftijd verliezen zij hun taak. ~
|