|
I. ALGEMENE NORMEN
Over het begrip “Romeinse Curie”
Art. 1 - De Romeinse Curie is het geheel van Dicasterieen en
van Instituten die de Paus behulpzaam zijn bij de uiteofening van zijn hoogste
pastorale taak tot welzijn en ten dienste van de universele Kerk en van de
paticuliere Kerken, waardoor tevens de geloofseenheid en de communio van het
volk Gods gesterkt wordt en de eigen zending van de Kerk in de wereld bevorderd
wordt.
Over de structuur van de Dicasterien
Art. 2 - § 1. Onder Dicasterien worden verstaan: het
Staatssecretariaat, de Congregaties, de Rechtbanken, de Raden en de Bureaus,
namelijk de Apostolische Kamer, de Administratie van het Patrimonium van de
Apostolische Stoel, de Prefectuur van de Heilige Stoel.
§ 2. De Dicasterien zijn rechtens onderling gelijk.
§ 3. Tot de Instituten van de Romeinse Curie behoren echter
eveneens de Prefectuur van het Pauselijk Huis en het Bureau van de Litugische
Vieringen van de Paus.
Art. 3 - § 1. Tenzij deze wegens hun
bijzondere aard of krachtens een speciale wet een andere structuur hebben,
bestaan de Dicasterien uit een Kardinaal-Prefect of een Aartsbisschop-Voorzitter,
een vergadering van Kardinalen en van een aantal bisschoppen, en een
ondersteunend Secretariaat. De Dicasterien worden bijgestaan door Consultoren
en Hogere Bestuurders en een passend aantal Beambten verrichten de
werkzaamheden.
§ 2. Overeenkomstig de bijzondere aard van bepaalde
Dicasterien kunnen aan hun vergadering clerici en ook andere Christengelovigen
worden toegevoegd.
§ 3. De eigenlijke leden echter van een Congregatie zijn de
Kardinalen en de Bisschoppen.
Art.4 - De Prefect of de Voorzitter
bestuurt een Dicasterie, leidt het en handelt in de persoon ervan
(vertegenwoordig deze).
De Secretaris, in samenwerking met de Ondersecretaris, helpt
de Prefect of de Voorzitter bij het besturen van de aangelegenheden en van de
personen van het Dicasterie.
Art. 5 - § 1. De Prefect of de Voorzitter,
de leden van de vergadering, de Secretaris en de verdere Hogere Bestuurders en
ook de Consultoren worden door de Paus voor vijf jaren benoemd.
§ 2. Bij het bereiken van hun vijfenzeventigste levensjaar
wordt de Kardinalen-voorzitters verzocht om de afstand van hun ambt aan de Paus
aan te bieden, die alles overwegende een voorziening treft. De andere
Bestuurders en ook de Secretarissen verliezen hun taak bij het bereiken van hun
vijfenzeventigste levensjaar; de Leden bij het bereiken van hun tachtigste
levensjaar; wie evenwel voor een taak aan een Dicasterie verbonden zijn, houden
bij het verval van hun taak op om Lid te zijn.
Art. 6 - Bij het overlijden van de Paus
zijn alle Bestuurders en Leden van de Dicasterien van hun taak ontslagen. De
Kamerheer van de Romeinse Kerk en de Hogere Penitentiarius zijn (hiervan)
uitgezonderd; zij nemen de gewone aangelegenheden waar, die het Kardinalencollege
voorlegt, waarover aan de Paus gerapporteerd moet worden.
De Secretarissen wijden zich aan het gewone bestuur van de
Dicasterien, alleen de gewone zaken verzorgend; zij behoeven waarlijk de
bevestiging van de Paus binnen drie maanden na Zijn verkiezing.
Art. 7 - De leden van de vergadering worden
genomen uit Kardinalen wonende of in de Stad of buiten de Stad, waaraan
voorzover zij bijzondere deskundigheid genieten in de aangelegenheden waarover
het gaat, sommige Bisschoppen, met name diocesane, enkele clerici en andere
Christengelovigen toetreden; op wettelijke regel echter, dat zaken die de
uitoefening van regeermacht vereisen, voorbehouden zijn aan hen die door de
heilige ordo (wijding) getekend zijn.
Art. 8 - De Consultoren worden ook uit
clerici en andere Christengelovigen benoemd, die uitmunten in kennis en
wijsheid, voor zover mogelijk ook rekeninghoudend met de
universaliteitsbeginsel.
Art. 9 - De Beambten worden uit de
Christengelovigen, clerici of leken, genomen, die zich onderscheiden door
deugd, wijsheid, zakenkennis, benodigde kennis, in het bezit van de passende
studie-diploma's, voor zover mogelijk uit verschillende regionen van de wereld,
opdat het universele karakter van de kerk tot uitdrukking komt. De geschiktheid
van kandidaten dient door bepaalde testen of op andere passende wijzen met het
oog op de opportuniteit te blijken.
De particuliere Kerken, de Bestuurders van de Instituten van
gewijd leven en van de Societeiten van apostolisch leven laten niet na om de
Heilige Stoel hulp te bieden; en toe te staan dat hun gelovigen en hun leden,
als dat nodig is, in de Romeinse Curie worden ontboden.
Art. 10 - Ieder Dicasterie heeft een eigen
archief, waarin ontvangen documenten en exemplaren van verzonden documenten,
volgens “protocol” gerelateerd, geordend, veilig en volgens de regels van deze
tijd worden bewaard.
Over de werkwijze
Art. 11 - § 1. Aangelegenheden van groter
belang zijn aan de algemene vergadering voorbehouden, overeenkomstig de aard
van ieder Dicasterie.
§ 2. Voor de plenaire bijeenkomsten, die voor zover mogelijk
eenmaal per jaar gevierd moeten worden, om vragen die algemeen principieel van
aard zijn en voor andere vragem die naar de mening van de Prefect of van de
Voorzitter behandeld moeten worden, moeten alle leden tijdig bijeengeroepen
worden. Voor de gewone bijeenkomsten is echter voldoende, dat de Leden die in
de Stad verbijven bijeengeroepen worden.
§ 3. Aan alle zittingen van de vergadering neemt de
Secretaris deel met het recht om te stemmen.
Art. 12 - De Consultoren en degenen die met
hen gelijkgesteld zijn, dienen de voorgestelde aangelegenheden zorgvuldig te
bestuderen en hun mening daarover, gewoonlijk schriftelijk, te geven.
Bij gelegenheid en volgens de aard van ieder Dicasterie
kunnen de Consultoren bijeengeroepen worden om collegiaal voorgestelde vragen
te onderzoeken en zo nodig een gemeenschappelijke mening naar voren te
brengen.
Voor bepaalde gevallen kunnen anderen ter raadpleging
geroepen worden, die, hoewel zijn van de Consultoren geen deel uitmaken, echter
als deskundig aanbevolen worden om bepaalde aangelegenheden te behandelen.
Art. 13 - De Dicasterien behandelen
overeenkomstig de eigen competentie van elk ervan de zaken, die wegens hun
bijzonder belang, door hun natuur of rechtens aan de Apostolische Stoel zijn
voorbehouden, en zaken die de competentie grenzen van de afzonderlijke
Bisschoppen en van de vergaderingen ervan overstijgen, en ook die zaken die hen
door de Paus zijn toevertrouwd; zij bestuderen de zwaardere problemen van de
huidige tijd, zodat de pastorale actie van de Kerk werkdadig bevorderd en
gecoordineerd word met inachtneming van de verschuldigde verhouding jegens de
particuliere Kerken; zij bevorderen initiatieven voor het welzijn van de
universele Kerk, zij behandelen tenslotte de zaken die Christengelovigen op
eigen recht aan de Apostolische Stoel voorleggen.
Art. 14 - De competentie van de
Dicasterieen wordt op basis van de materie bepaald, tenzij uitdrukkelijk anders
is voorzien.
Art. 15 - De aangelegenheden dienen
behandeld te worden volgens de rechtsgang, zowel de universele als bijzondere
van de Romeinse Curie, en volgens de normen van ieder afzonderlijk Dicasterie,
krachtig en met pastorale overwegingen, met de geest gesteld zijnde op zowel de
rechtvaardigheid als op het welzijn van de Kerk en vooral op het zielenheil.
Art. 16 - Het is gewoonte om zich tot de
Romeinse Curie te richten, behalve in de officiele Latijnse taal, ook in de
huidige breed bekende talen.
Ten dienste van alle Dicasterien wordt een “Centrum”
opgericht om documenten en andere talen om te zetten.
Art. 17 - Algemene documenten die door een
Dicasterie zijn ontworpen, worden aan andere Dicasterien die het aangaat,
voorgelegd, zodat de tekst door voorgestelde wijzigingen zeker kan worden
verbeterd en, in gemeenschappelijk beraad wordt in de uitvoering ervan
gemeenschappelijk voortgegaan.
Art. 18 - Belangrijke beslissingen dienen
ter bevestiging aan de Paus te worden voorgelegd; behalve die waarvoor de
Bestuurders van de Dicasterien een bijzondere bevoegdheid hebben ontvangen en
uitgezonderd de uitspraken van de Rechtbank van de Romeinse Rota en van de
Hoogste Rechtbank van de Apostolische Signatuur, die binnen de grenzen van hun
bevoegdheid zijn uitgevaardigd.
Algemene wetten en algemene decreten met wetgevende kracht
kunnen de Dicasterien niet vaststellen noch derogeren die de voorschriften van
het universele recht, tenzij voor bepaalde gevallen en met uitdrukkelijke
bevestiging van de Paus.
Dit geldt nu plechtig,
dat niets dat belangrijk of buitengewoon is, wordt behandeld, tenzij dit van te
voren door de Bestuurders van de Dicasterien aan de Paus is medegedeeld.
Art. 19 - § 1. Hierarchisch beroep wordt
door het Dicasterie ontvangen, dat overeenkomstig de materie bevoegd is,
onverminderd het voorschrift van art. 21 § 1.
§ 2. Vragen echter, die gerechtelijk behandeld moeten
worden, worden aan de competente Rechtbanken voorgelegd, onverminderd de
voorschriften van de art. 52 en 53.
Art. 20 - Competentie-conflicten tussen
Dicasterieen worden, als die ontstaan, aan de Hoogste Rechtbank van de
Apostolische Signatuur voorgelegd, tenzij het de Paus behaagde daar op andere
wijze in te voorzien.
Art. 21 § 1. Zaken, waartoe meerdere
Dicasterien bevoegd zijn, worden door de Dicasterien die het aangaat te
gelijker tijd behandeld.
Opdat beraadslagingen plaatsvinden, wordt door de Bestuurder
van het Dicasterie dat de zaak begon te behandelen, ofwel ambtshalve ofwel op
verzoek van het andere Dicasterie die het aangaat, een vergadering
bijeengeroepen. Als de onderhavige materie dit echter vraagt, wordt de zaak
voorgelegd aan de plenaire vergadering van de Dicasterien die het aangaat.
De Bestuurder van het Dicasterie die de bijeenkomst
samenroept, zit de bijeenkomst voor, ofwel zijn Secretaris, wanneer alleen de
Secretarissen bijeenkomen.
§ 2. Waar dit oppertuun is, worden permanente
“interdicasteriale” commissies opgericht om bepaalde zaken te behandelen, die
wederzijdse en regelmatige beraadslagingen vereisen.
Over de bijeenkomsten van de Kardinalen
Art. 22 - Op bevel van de Paus komen de
Kardinalen die Dicasterien voorzitten, meerdere malen per jaar bijeen, om
belangrijke vragen te onderzoeken, de werkzaamheden te coordineren, zodat ook
berichten aan hen medegedeeld worden en zij adviezen kunnen geven.
Art. 23 - Als het de Paus behaagt heeft,
kunnen belangrijke aangelegenheden van algemene aard door de Kardinalen in een
algemeen Consistorie bijeen volgens de eigen wet geschikt worden behandeld.
Over de bijeenkomst van Kardinalen om te
beraadslagen over organisatorische en economische aangelegenheden van de
Apostolische Stoel
Art. 24 - De vergadering bestaat uit vijftien Kardinalen,
allemaal Voorzitters van particuliere Kerken uit verschillende delen van de
wereld, die voor vijf jaar door de Paus zijn benoemd.
Art. 25 - § 1. De vergadering wordt
gewoonlijk twee maal per jaar door de Kardinaal van het Staatssecretariaat
bijeengeroepen om de economische en organisatorische aangelegenheden die het
beheer van de Heilige Stoel betreffen, te behandelen, ondersteund, voor zover
nodig, met terzake deskundigen.
§ 2. Deze vergadering behandelt ook de gang van zaken van
het bijzondere Instituut, dat opgericht is en zetelt in de Staat van
Vaticaanstad, om de haar toevertrouwde oeconomische goederen te beschermen, en
te beheren, die dienen om religieuze en caritatieve werken te onderhouden; dit
instituut wordt door een bijzondere wet geregeld.
De verhoudingen met de particuliere Kerken
Art. 26 - § 1. Veelvuldige contacten worden met de
particuliere Kerken en de vergaderingen van Bisschoppen onderhouden; wanneer
het om te verschijnen documenten van groter belang gaat, die een algemeen
karakter hebben, dient hun advies te worden ingewonnen.
§ 2. Zo mogelijk, worden, voordat ze rechtens gepubliceerd
zijn, de algemene documenten of de documenten die hun particuliere Kerken in
het bijzonder aangaan, aan de diocesane Bisschoppen medegedeeld.
§ 3. De aan de Dicasterien voorgelegde vragen worden
zorgvuldig onderzocht en zonder uitstel wordt een antwoord of, als dat nodig
is, tenminste een bewijs van ontvangst, verzonden.
Art. 27 - De Dicasterien laten het niet na
om de Pauselijke Legaten te raadplegen inzake aangelegenheden die de
particuliere Kerken aangaan, waar zij hun taak uitoefenen, alsook aan dezelfde
Legaten de genomen besluiten mede te delen.
Over de “Ad Limina”- bezoeken
Art. 28 - Overeenkomstig de eerbiedwaardige traditie en
volgens de rechtsvoorschriften, verlangen de Bisschoppen die particuliere
Kerken voorzitten, op de vastgestelde tijd, het bezoek van de Apostelen, en
leggen bij die gelegenheid aan de Paus het verslag over de staat van het bisdom
voor.
Art. 29 - Deze bezoeken zijn voor het leven
van de Kerk van bijzonder belang, omdat ze immers als het ware het hoogtepunt
bewerken van de relatie van ieder particuliere Kerk met de Paus. Hij behandelt
dan immers, wanneer hij zijn broeders in het Episcopaat ontvangt, met hen de
aangelegenheden die het welzijn van de Kerken en het herdersambt van de
Bischoppen aangaan, en hij bevestigt en bestendigt hen in geloof en liefde;
waardoor op zekere wijze de band van de hierarchische gemeenschap wordt
versterkt en ook de eenheid van het college van Bisschoppen openlijk wordt
getoond.
Art 30 - De “Ad Limina”-bezoeken betreffen
ook de Dicasterien van de Romeinse Curie. Hiermee wordt immers de vruchtbare
dialoog tussen de Bisschoppen en de Apostolische Stoel verbeterd en verdiept,
wederzijdse informaties worden uitgewisseld, adviezen en nuttige voorstellen
worden aangedragen tot groter welzijn en welvaart van de Kerken en ook voor het
bewaren van de gemeenschappelijke discipline van de Kerken.
Art. 31 -
Met oprechte zorg en passend worden de bezoeken gehouden, zodat de drie
principiele graden ervan blijken, te weten het pelgrimsbezoek aan de graven va
de Prinsen der Apostelen en de verering ervan, de samenkomst met de Paus, en
ook de gesprekken bij de Dicasterien van de Roeminse Curie, dat deze vruchtbaar
verlopen en een voorspoedig einde hebben.
Art. 32 - Voor dit doel wordt het rapport
over de staat van het bisdom zes maanden voor de vastgestelde tijd van het
bezoek aan de Heilige Stoel gezonden. Door de bevoegde Dicasterien wordt alles
met aandacht onderzocht en hun opmerkingen worden aan de bijzondere hiervoor
opgerichte vergadering medegedeeld, zodat een korte samenvatting wordt
voorbereid van alle aangelegenheden, die in de gesprekken onder ogen moeten
worden gezien.
Over het pastorale karakter van het werk
Art. 33 - Het werk van al degenen die bij
de Romeinse Curie en bij de andere instituten van de Heilige Stoel werken,
verrichten een echte kerkelijke dienst,
dat door een pastoraal karakter getekend is, voor zover deelnemend aan
de universele zending van de Paus, dient door allen de volledige gewetensplicht
van het ambt en een dienstbare geest in acht genomen te worden.
Art. 34 - De onderscheiden Dicasterien
streven hun eigen doelen na, maar werken onderling samen; want allen die in de
Romeinse Curie werken, moeten dit zo realiseren, dat hun werkzaamheden in elkaar
samenvloeien en op elkaar geordend zijn. Allen zijn derhalve altijd bereid om
de werkzaamheden te verrichten waar dit nodig blijkt.
Art. 35 - Alhoewel alle werkzaamheden van de
Instituten van de Heilige Stoel een meewerken in het apostolische werk
betekenen, wijden de priester zich overeenkomstig hun kracht aan de zielzorg,
zonder echter het eigen ambt te benadelen.
Over het Centraal Bureau van Werk
Art. 36 - Over de uitvoering van het werk binnen de Romeinse
Curie en over de daarmee samenhangende vragen handelt het Centraal Bureau van
Werk overeenkomstig zijn competentie.
Over de Reglementen
Art. 37 - Aan deze Apostolische Constitutie is een
Dienstorde oftewel (zijn) algemene normen toegevoegd, waarin de dicipline en de
werkwijze van de Curie zelf wordt vastgesteld, met onverminderd behoud van de
algemene normen van deze Constitutie.
Art. 38 - Ieder Dicasterie heeft een eigen
Dienstorde oftewel speciale normen, waarin de discipline en de werkwijze worden
vastgesteld.
De Dienstorde van ieder Dicasterie wordt op de gewoonlijke
wijze van de Apostolische Stoel gepubliceerd.
|