Par.
1 27| Ik neem mijn vrouw mee,' zei de een.~
2 34| reeds wit van de sneeuw, en zei: `Waarom stapt u niet in?
3 52| goed, leverde ze, naar men zei een inkomen van vijfhonderd
4 69| inderdaad niet al te best,' zei de graaf, `waarom heb ik
5 76| met kip met zijn ogen. Hij zei: `Uitstekend, mevrouw heeft
6 77| Ze keek naar hem op en zei: `Wilt u ook wat, meneer?
7 81| allervriendelijkste glimlach zei: `Maar natuurlijk, zeker
8 83| glas Bordeaux te drinken en zei daarna: `Het is de honger,
9 90| dat ik wel kon blijven,' zei ze. `Ik had mijn huis vol
10 92| stamelend van verontwaardiging zei ze: `Ik had jullie wel eens
11 3 | zich uit schoof. De laatste zei toen ze op de grond stapte
12 6 | Daarop zei hij plotseling: `Het is
13 10| schrok op, draaide zich om en zei: `Dat ben ik.'~
14 14| verwarring, dacht even na, zei vervolgens ronduit: `Dat
15 15| graaf kwam naar haar toe en zei: `U maakt een vergissing,
16 16| koppigheid kon hebben. Ten slotte zei ze: `Maar ik doe dit voor
17 17| gravin pakte haar hand en zei: `En wij zijn u er dankbaar
18 20| om het te horen, maar ze zei niets. En toen de graaf
19 25| Cornudet verhief zijn stem en zei: `De oorlog is een onbeschaafdheid
20 27| begon te twinkelen en hij zei: `Bravo burgeres.'~
21 32| nogal onstuimig aan. Hij zei: `Toe nou, doe niet zo stom,
22 34| verhief nog meer haar stem en zei: `Waarom? Begrijp je dan
23 40| herbevolken.' Carré-Lamadon zei ernstig: `Ze herstellen.'
24 63| Na enkele ogenblikken zei hij ten slotte: `Was wilt
25 64| De graaf nam het woord en zei: `Wij willen weg, meneer.'~
26 87| De graaf, altijd beleefd, zei dat ze van een vrouw een
27 88| Als we eens gingen lopen,' zei Loiseau.~
28 89| haalde de schouders op en zei: `Overweegt u dat serieus,
29 3 | moeten haar overhalen,' zei hij.~
30 10| hoe de kerk eruitzag. Ze zei ook nog: `Het is zo goed
31 16| diepe gedachten. Reuzelpotje zei niets.~
32 25| Nadat zij had gesproken zei niemand meer iets, zo prachtig
33 31| erkentelijkheid. Plotseling zei hij, haar vrolijk tutoyerend: `
34 36| Uit welgevoeglijkheid zei hij niets tegen zijn reisgenoten,
35 42| niemand er meer aan dacht, zei hij met trillende stem een
36 45| champagne in de hand en zei: `Ik drink op onze verlossing!'~
37 48| plotseling op de buik en zei met dubbele tong: `U bent
38 49| vernietigende blik het gezelschap en zei: `Ik zeg jullie allemaal
39 67| verontwaardigd aankeek, zei met enigszins gedempte stem
40 79| zijn kaarten bij elkaar en zei: `Mijn maag knort.'~
41 81| wij dat ook maar doen,' zei de gravin. Ze kreeg toestemming
|