Par.
1 42| tegenover elkaar de heer en mevrouw Loiseau te dommelen, wijnkooplui
2 48| beleefde wapens had bestreden. Mevrouw Carré-Lamadon, veel jonger
3 76| ogen. Hij zei: `Uitstekend, mevrouw heeft meer voorzorgen genomen
4 78| Oorlog is oorlog, nietwaar mevrouw?' Hij keek eens om zich
5 81| reisgenote' of ze hem toestond mevrouw Loiseau een stukje aan te
6 83| Bréville, evenals mijnheer en mevrouw Carré-Lamadon, die vreselijke
7 86| erkentelijkheid in op uw aanbod, mevrouw.'~
8 88| charmant. Maar de grote mevrouw Loiseau, met de ziel van
9 95| al haar vet. Daarop bood mevrouw De Bréville haar haar stoofje
10 15| U maakt een vergissing, mevrouw, want uw weigering kan aanmerkelijke
11 22| De heer en mevrouw Follenvie aten beiden aan
12 23| beter je mond kunnen houden, mevrouw Follenvie.'~
13 24| rekening mee en vervolgde: `Ja mevrouw, die lui, die eten alleen
14 24| zouden werken! Maar nee mevrouw, die militairen, daar heeft
15 71| duurde tot het eten, stelde mevrouw Loiseau een partijtje eenendertigen
16 95| houding, op zijn gezicht. Mevrouw Carré-Lamadon, die veel
17 1 | plebejische temperament van mevrouw Loiseau de kop op: `We zijn
18 1 | tot koetsiers toe! Jazeker mevrouw, de koetsier van de prefectuur!
19 2 | rillinkje. De ogen van de mooie mevrouw Carré-Lamadon begonnen te
20 6 | ander niet?' De zachtzinnige mevrouw Carré-Lamadon leek zelfs
21 17| Maar in plaats van haar `mevrouw' te noemen, zoals ze tot
22 22| daaraan kunnen twijfelen, mevrouw? Een op zichzelf laakbare
23 37| Mevrouw Loiseau kreeg het behoorlijk
24 37| leek opeens te merken dat mevrouw Carré-Lamadon charmant was,
25 60| gingen ze uit elkaar. Maar mevrouw Loiseau, die een geboren
26 66| industrieel aan met `dag mevrouw', nederig gemompeld. De
27 67| haar niet te kennen. Maar mevrouw Loiseau, die haar uit de
28 70| de gravin wendde zich tot mevrouw Carré-Lamadon en brak al
29 71| ik me niet vergis kent u mevrouw D'Etrelles?'~
30 86| Mevrouw Loiseau lachte onhoorbaar
|