Par.
1 13| waarom iemand kwetsen van wie je helemaal afhankelijk was?
2 33| met een schuim van ijs, en je hoorde niets meer in de
3 71| lekker, dat verwarmt, en je vergeet de honger even.'~
4 78| dit soort ogenblikken mag je blij zijn als je mensen
5 78| ogenblikken mag je blij zijn als je mensen tegenkomt die je
6 78| je mensen tegenkomt die je van dienst willen zijn.'~
7 92| zouden worden geregeerd kun je maar beter Frankrijk verlaten!'~
8 1 | blonde draad, zo dun dat je het eind ervan niet kon
9 23| en toe door te zeggen: `Je zou beter je mond kunnen
10 23| te zeggen: `Je zou beter je mond kunnen houden, mevrouw
11 24| varkensvlees en aardappelen. En je moet niet denken dat ze
12 24| opleiding, dat klopt, maar als je ze zo hun gestel ziet verpesten
13 24| of Fransen zijn? Als jij je wreekt op iemand die je
14 24| je wreekt op iemand die je kwaad heeft gedaan, is dat
15 24| gedaan, is dat verkeerd, want je wordt ervoor veroordeeld,
16 26| hoofd en sprak: `Ja, als je je verdedigt is dat wat
17 26| hoofd en sprak: `Ja, als je je verdedigt is dat wat anders,
18 33| zijn ogenblikken waarop je dat niet doet. En bovendien,
19 34| en zei: `Waarom? Begrijp je dan niet waarom? Als er
20 36| wekte, mompelend: `Houd je van me, liefste?'~
21 15| Je had ten slotte kunnen denken
22 31| vrolijk tutoyerend: `En weet je, liefste, hij zou zich erop
23 49| jullie allemaal dat jullie je dood schamen!'~
24 60| boer met kiespijn: `Weet je, vrouwen, als het om een
25 60| of Pruisisch is, ik zeg je dat ze dat helemaal niets
26 85| als om te zeggen: `Wat wil je? Ik kan er niets aan doen.'~
|