Par.
1 10| de drie korpsen troffen elkaar op hetzelfde ogenblik op
2 15| militair. Op straat kenden ze elkaar niet, maar in huis werd
3 25| kwamen de reizigers bij elkaar op de binnenplaats van het
4 26| rillen van de kou. Ze konden elkaar in het donker moeilijk zien
5 26| Maar twee mannen herkenden elkaar, een derde sprak ze aan,
6 26| ze aan, ze begonnen met elkaar te kouten.~
7 41| In de koets bekeken ze elkaar nieuwsgierig, in de trieste
8 42| plaatsen, zaten tegenover elkaar de heer en mevrouw Loiseau
9 62| Waarop ze elkaar eens even vriendschappelijk
10 85| we allemaal familie van elkaar en moeten we elkaar helpen.
11 85| van elkaar en moeten we elkaar helpen. Dus vooruit dames,
12 39| meneer, arme mensen moeten elkaar nou eenmaal helpen... het
13 99| ze weg was keek iedereen elkaar aan om vervolgens de stoelen
14 99| vervolgens de stoelen bij elkaar te schuiven, want ze voelden
15 3 | praten, staken de koppen bij elkaar. Loiseau, woest als hij
16 5 | De vrouwen schoven bij elkaar, dempten hun stemmen en
17 34| vroeg zachtjes: `Is het voor elkaar?'~
18 48| middernacht, toen ze uit elkaar wilden gaan, tikte een wankele
19 60| Daarop gingen ze uit elkaar. Maar mevrouw Loiseau, die
20 62| paardenvijgen die ze uit elkaar krabden.~
21 66| raapte ze al haar moed bij elkaar en sprak de vrouw van de
22 79| Loiseau zijn kaarten bij elkaar en zei: `Mijn maag knort.'~
23 88| onderuit, deed zijn armen over elkaar, lachte als een man die
|