Par.
1 34| De man met de lantaarn verscheen
2 48| Carré-Lamadon, een aanzienlijk man, naam gemaakt in katoenen
3 49| Ze zat tegenover haar man, heel klein, heel knap,
4 50| Bréville bezwangerd had, wier man om dat feit graaf en gouverneur
5 55| beide nonnen trokken een man en een vrouw aller blikken.~
6 56| De man, goed bekend, was de rode
7 81| zwichtte ze. Daarop vroeg haar man met veel bloemrijke omhaal
8 83| buiten bewustzijn. Haar man smeekte in paniek iedereen
9 90| schaamte. O, als ik een man was geweest had ik het wel
10 92| hebben hem verraden, die man! Als we door schurken als
11 97| duisternis doorboorde, meende de man met de grote baard snel
12 8 | een grote, astmatische man, die altijd last had van
13 22| beiden aan het hoofdeinde. De man, reutelend als een kapotte
14 23| tafel te brengen en haar man onderbrak haar af en toe
15 29| zitten overleggen. De grote man begon te lachen, hoestte,
16 79| zonsopgang op, terwijl haar man een avondmens was, altijd
17 51| zijn te schunnig, beste man, ze zijn veel te schunnig.'
18 60| gingen slapen tegen haar man op, dat `die del' van een
19 67| gedempte stem tegen haar man: `Gelukkig zit ik niet naast
20 85| het en waarschuwde haar man met een teken. Hij trok
21 88| over elkaar, lachte als een man die net op een goede grap
|