Par.
1 48| een hogere kaste, de heer Carré-Lamadon, een aanzienlijk man, naam
2 48| wapens had bestreden. Mevrouw Carré-Lamadon, veel jonger dan haar echtgenoot,
3 51| Hubert, collega van de heer Carré-Lamadon in de departementsraad,
4 61| dwars kunnen zitten. De heer Carré-Lamadon, zwaar gedupeerd in de katoenindustrie,
5 83| evenals mijnheer en mevrouw Carré-Lamadon, die vreselijke kwelling
6 88| De dames De Bréville en Carré-Lamadon, die over veel levenskunst
7 95| ijskoude voeten. De dames Carré-Lamadon en Loiseau gaven de hunne
8 28| Carré-Lamadon dacht diep na. Hoewel hij
9 40| grapte: `Ze herbevolken.' Carré-Lamadon zei ernstig: `Ze herstellen.'
10 58| kaartje waaraan de heer Carré-Lamadon zijn naam en al zijn titels
11 87| haarzelf moest komen. De heer Carré-Lamadon merkte op dat als de Fransen
12 95| op zijn gezicht. Mevrouw Carré-Lamadon, die veel officieren had
13 2 | ogen van de mooie mevrouw Carré-Lamadon begonnen te stralen en ze
14 6 | De zachtzinnige mevrouw Carré-Lamadon leek zelfs te denken dat
15 37| opeens te merken dat mevrouw Carré-Lamadon charmant was, de industrieel
16 51| zich kostelijk. De graaf en Carré-Lamadon hadden tranen in de ogen
17 60| die del' van een jongedame Carré-Lamadon de hele avond had zitten
18 70| wendde zich tot mevrouw Carré-Lamadon en brak al snel dat penibele
|