Par.
1 1 | uniformen hingen aan flarden en ze trokken zonder vlag, zonder
2 1 | een futloos tempo voort. Ze leken allemaal uitgeput,
3 1 | denken of tot een besluit, ze liepen slechts uit gewoonte
4 1 | vielen doodmoe neer zodra ze stilstonden. Er waren voornamelijk
5 3 | torsten. Maar soms waren ze bang voor hun eigen soldaten,
6 5 | al haar moordtuig waarmee ze vroeger de palen langs de
7 9 | beklemming van het wachten deed ze naar de komst van de vijand
8 13| oorlog deel te moeten nemen. Ze waren hem dankbaar voor
9 13| gevoel, en verder konden ze ooit op een dag zijn bescherming
10 13| Door hem te ontzien konden ze misschien een paar mannen
11 15| Ten slotte hielden ze zich voor - het ultieme
12 15| deuren beleefd te zijn zolang ze in het openbaar maar niet
13 15| militair. Op straat kenden ze elkaar niet, maar in huis
14 18| inwoners betaalden steeds, ze waren trouwens rijk. Maar
15 21| slotte, al onderwierpen ze dan de stad aan hun ijzeren
16 21| gruweldaden hadden begaan die ze volgens zeggen van meet
17 21| naar Dieppe te gaan, waar ze zich dan zouden inschepen.~
18 22| Ze gebruikten de invloed van
19 22| van Duitse officieren die ze hadden leren kennen en een
20 25| Hôtel de Normandie, waar ze zouden instappen.~
21 26| Ze waren nog helemaal slaperig
22 26| reisdekens te rillen van de kou. Ze konden elkaar in het donker
23 26| elkaar, een derde sprak ze aan, ze begonnen met elkaar
24 26| een derde sprak ze aan, ze begonnen met elkaar te kouten.~
25 31| Ze hadden allemaal dezelfde
26 33| niets meer te vertellen, ze bleven dus roerloos en verstijfd
27 35| Ze hadden er natuurlijk niet
28 36| apparaten en een poosje somden ze met gedempte stem de voordelen
29 36| herhaalden daarbij dingen die ze al heel lang wisten.~
30 38| antwoordde: `Ja.' Waarop ze vertrokken.~
31 41| In de koets bekeken ze elkaar nieuwsgierig, in
32 49| Ze zat tegenover haar man,
33 52| onroerend goed, leverde ze, naar men zei een inkomen
34 54| toegetakeld gelaat, alsof ze van vlakbij een lading hagel
35 57| vroegtijdige corpulentie, waardoor ze de bijnaam Reuzelpotje had
36 57| jurk tevoorschijn kwam, was ze toch aantrekkelijk en geliefd,
37 57| geliefd, zo aangenaam fris was ze om te zien. Haar gezicht
38 58| Er werd gezegd dat ze bovendien volop begiftigd
39 59| Zodra ze herkend werd begonnen de
40 59| zo hard gefluisterd dat ze opkeek. Daarop wierp ze
41 59| ze opkeek. Daarop wierp ze haar buren zo'n uitdagende
42 60| bijna intiem, geworden. Ze moesten, leek het ze, geconfronteerd
43 60| geworden. Ze moesten, leek het ze, geconfronteerd met die
44 62| Waarop ze elkaar eens even vriendschappelijk
45 62| vriendschappelijk aankeken. Hoewel ze in uiteenlopende omstandigheden
46 62| omstandigheden verkeerden, voelden ze zich door het geld verbroederd,
47 62| goud laten rinkelen als ze hun hand in hun broekzak
48 63| koets reed zo langzaam dat ze om tien uur in de ochtend
49 63| hellingen te voet te beklimmen. Ze begonnen zich ongerust te
50 63| Tôtes gegeten worden en ze wanhoopten er thans aan
51 65| naar eten, maar daar vonden ze nog geen brood, want de
52 65| die met geweld namen wat ze vonden als ze niets te bikken
53 65| namen wat ze vonden als ze niets te bikken hadden.~
54 68| boog een paar keer alsof ze iets onder haar rokken zocht.
55 68| onder haar rokken zocht. Ze aarzelde een ogenblik, keek
56 68| hield zich verder rustig. Ze kreeg het altijd te kwaad
57 68| zelfs grapjes erover kon ze niet vatten.~
58 71| Hij bood ervan aan, maar ze weigerden koeltjes. Alleen
59 72| koppig op de vloer, waarbij ze ongetwijfeld de hemel het
60 72| lijden opdroegen dat hij ze zond.~
61 73| slotte, om drie uur, toen ze midden in een eindeloze
62 74| Eerst haalde ze er een porseleinen bordje
63 74| reis van drie dagen, zodat ze niet op herbergkeukens zou
64 74| de pakketjes voedsel uit. Ze nam een kippenvleugeltje
65 74| een van de broodjes die ze in Normandië régence noemen.~
66 77| Ze keek naar hem op en zei: `
67 80| lichte maaltijd te delen. Ze namen dat beiden direct
68 80| zonder op te kijken begonnen ze heel snel te eten, na wat
69 80| buurvrouw en zodoende vormden ze met de nonnen een soort
70 81| zijn voorbeeld te volgen. Ze bood lang weerstand, maar
71 81| de darmen voer, zwichtte ze. Daarop vroeg haar man met
72 81| charmante reisgenote' of ze hem toestond mevrouw Loiseau
73 83| waar iedereen van opkeek. Ze werd zo wit als de sneeuw
74 83| hoofd zakte naar voren, ze was buiten bewustzijn. Haar
75 83| verklaarde met kwijnende stem dat ze zich al weer een stuk beter
76 85| Ze zweeg, want was al bang
77 86| Ze aarzelden, want niemand
78 87| eerste stap was nodig. Toen ze de Rubicon eenmaal over
79 87| eenmaal over waren, vielen ze gewoon aan. De mand was
80 87| mand was in een mum leeg. Ze bevatte nog een paté van
81 88| Ze konden natuurlijk de proviand
82 88| gereserveerd, maar doordat ze zich keurig gedroeg werd
83 89| Ze hadden het natuurlijk over
84 89| natuurlijk over de oorlog. Ze verhaalden vreselijke daden
85 89| meisjes soms hebben als ze vanzelfsprekende zielenroerselen
86 89| zielenroerselen melden, hoe ze Rouaan verlaten had.~
87 90| ik wel kon blijven,' zei ze. `Ik had mijn huis vol proviand
88 90| wijk nemen. Maar toen ik ze zag, die Pruisen, toen kon
89 90| het wel geweten! Ik bekeek ze uit mijn raam, die zwijnen
90 90| vasthouden om te voorkomen dat ik ze mijn meubels naar de kop
91 90| ik naar de keel gevlogen. Ze zijn niet moeilijker te
92 90| afgemaakt hebben, die ene, als ze me niet aan mijn haren hadden
93 91| Ze werd uitgebreid gelukgewenst.
94 91| uitgebreid gelukgewenst. Ze groeide in de achting van
95 92| want zij was bonapartiste. Ze werd roder dan een kriek
96 92| van verontwaardiging zei ze: `Ik had jullie wel eens
97 94| Met zijn tienen hadden ze haar moeiteloos geplunderd,
98 94| geplunderd, slechts met spijt dat ze niet groter was. Het gesprek
99 94| enigszins bekoeld sinds ze klaar waren met eten.~
100 95| accepteerde dat meteen, want ze had ijskoude voeten. De
101 96| zijn lantaarns ontstoken. Ze beschenen met een helder
102 98| op de weg. Dat was Tôtes. Ze hadden elf uur gelopen,
103 98| komen, op veertien bracht. Ze reden het stadje binnen
104 0 | stapte niemand uit, alsof ze verwachtten bij die gelegenheid
105 3 | schoof. De laatste zei toen ze op de grond stapte tegen
106 4 | Cornudet stapten, hoewel ze vlak bij het portier hadden
107 5 | Ze betraden de grote herbergkeuken
108 7 | Ze haalden opgelucht adem.
109 7 | haalden opgelucht adem. Ze hadden nog honger. Er werd
110 8 | Eindelijk konden ze aan tafel, toen de baas
111 14| Ze raakte in verwarring, dacht
112 15| zeker om een formaliteit die ze over het hoofd hebben gezien.'~
113 16| Iedereen stemde met hem in, ze smeekten haar, drongen bij
114 16| en ten slotte overtuigden ze haar. Want ze waren allemaal
115 16| overtuigden ze haar. Want ze waren allemaal bang voor
116 16| kon hebben. Ten slotte zei ze: `Maar ik doe dit voor jullie,
117 18| Ze ging. Ze wachtten op haar
118 18| Ze ging. Ze wachtten op haar met aan
119 18| formuleringen voor het geval ze op hun beurt zouden worden
120 19| na tien minuten verscheen ze weer, puffend, rood alsof
121 19| weer, puffend, rood alsof ze stikte, uitermate geprikkeld.
122 19| stikte, uitermate geprikkeld. Ze stamelde: `Wat een smeerlap!
123 20| Ze verdrongen zich allemaal
124 20| allemaal om het te horen, maar ze zei niets. En toen de graaf
125 20| graaf aandrong, antwoordde ze met grote waardigheid: `
126 21| Dus zetten ze zich rond een hoge soepterrine
127 22| geen ogenblik haar mond. Ze had het over al haar indrukken
128 22| komst van de Pruisen, wat ze deden, wat ze zeiden, had
129 22| Pruisen, wat ze deden, wat ze zeiden, had in de eerste
130 22| een hekel aan hen omdat ze haar geld kostten en in
131 22| in de tweede plaats omdat ze twee zoons in het leger
132 22| zoons in het leger had. Ze richtte vooral het woord
133 23| Daarop dempte ze haar stem om gewaagde dingen
134 24| Maar ze hield er niet in het minst
135 24| je moet niet denken dat ze schoon zijn. O nee! Ze bevuilen
136 24| dat ze schoon zijn. O nee! Ze bevuilen alles, met uw welnemen.
137 24| met uw welnemen. En als u ze uren en dagen achtereen
138 24| zou zien exerceren! Staan ze met zijn allen in een wei,
139 24| om, en draai daar om. Als ze tenminste nog thuis de grond
140 24| aan! Het arme volk moet ze ook nog eens voeden om ze
141 24| ze ook nog eens voeden om ze niets dan moorden te laten
142 24| dat klopt, maar als je ze zo hun gestel ziet verpesten
143 24| ervoor veroordeeld, maar als ze onze jongens als wild afschieten,
144 24| geweren, is dat dan goed omdat ze de vent die er het meeste
145 26| wat anders, maar moeten ze dan niet eerder alle vorsten
146 28| zouden kunnen bezorgen als ze gebruikt werden voor grote
147 30| iedereen naar bed, omdat ze doodop waren.~
148 32| peignoir, afgezet met wit kant. Ze had een kandelaar in de
149 32| de zijkant open en toen ze na een paar minuten terugkwam
150 32| hemdsmouwen achter haar aan. Ze spraken zachtjes, bleven
151 32| de woorden niet maar toen ze ten slotte de stem wat verhieven,
152 33| Ze leek verontwaardigd en antwoordde: `
153 34| dus waarom. Daarop werd ze boos, verhief nog meer haar
154 38| Omdat ze besloten hadden de volgende
155 38| paarden en zonder conducteur. Ze zochten hem vergeefs in
156 38| zoek te gaan en vertrokken. Ze kwamen op het plein, met
157 38| zien waren. De eerste die ze zagen, schilde aardappelen.
158 39| zijn geen Pruisen, zeggen ze. Ze komen van verder. Ik
159 39| geen Pruisen, zeggen ze. Ze komen van verder. Ik weet
160 39| precies waarvandaan, maar ze hebben allemaal een vrouw
161 39| vaderland achtergelaten. Het zit ze ook niet lekker, die oorlog,
162 39| natuurlijk! Ik weet wel zeker dat ze daar net zo goed om die
163 39| slecht af momenteel, want ze doen geen kwaad en ze werken
164 39| want ze doen geen kwaad en ze werken alsof ze bij die
165 39| kwaad en ze werken alsof ze bij die gezinnen horen.
166 40| herberg. Loiseau grapte: `Ze herbevolken.' Carré-Lamadon
167 40| Carré-Lamadon zei ernstig: `Ze herstellen.' Maar de koetsier
168 40| vinden. Ten slotte vonden ze hem in het dorpscafé, broederlijk
169 47| het hem maar vragen. Als ze mij verbieden om in te spannen,
170 53| Ze vroegen naar de heer Follenvie,
171 54| Ze wilden de officier opzoeken,
172 54| aangelegenheden. Dus wachtten ze. De vrouwen gingen weer
173 55| stond als hijzelf, alsof ze het vaderland diende door
174 56| over politiek te praten. Ze hadden het over de toekomst
175 57| bespannen. Ik wil niet dat ze zonder mijn toestemming
176 58| Daarop wilden ze de officier spreken. De
177 60| Ze hadden net de koffie op
178 61| bij de twee eersten. Toen ze probeerden Cornudet mee
179 62| herberg, waar de officier ze ontving, liggend in een
180 62| Hij stond niet op, groette ze niet, keek ze niet eens
181 62| op, groette ze niet, keek ze niet eens aan. Hij was een
182 70| Ze bogen alledrie en trokken
183 71| gediscussieerd, waarbij ze zich de onwaarschijnlijkste
184 71| bedachten. Wie weet wilden ze ze als gijzelaars houden -
185 71| bedachten. Wie weet wilden ze ze als gijzelaars houden -
186 71| welk doel dan? Of wilden ze ze gevangen nemen? Of wilden
187 71| welk doel dan? Of wilden ze ze gevangen nemen? Of wilden
188 71| gevangen nemen? Of wilden ze, waarschijnlijker, een flink
189 71| Bij die gedachte werden ze gek van paniek. De rijksten
190 71| teneinde zich vrij te kopen. Ze pijnigden zich de hersens
191 71| eenendertigen voor. Dat zou ze wat afleiden. Ze wilden
192 71| Dat zou ze wat afleiden. Ze wilden best. Zelfs Cornudet,
193 72| bij het spel de vrees die ze door de gedachten spookte.
194 73| Toen ze aan tafel gingen verscheen
195 73| Elisabeth Rousset vragen of ze nog niet van mening veranderd
196 74| doodsbleek staan. Vervolgens werd ze plotseling karmijnrood en
197 74| verschrikkelijk kwaad dat ze niet meer kon spreken. Ten
198 74| spreken. Ten slotte flapte ze er uit: `Zeg maar tegen
199 75| onthullen. Aanvankelijk weigerde ze, maar al snel kreeg haar
200 75| me naar bed!' schreeuwde ze.~
201 76| op tafel terug te zetten. Ze gaven luidkeels uiting aan
202 78| Follenvie werd uitgenodigd, die ze van plan waren handig te
203 79| de slaap, hem kwam halen. Ze vertrok dus maar alleen,
204 79| vertrok dus maar alleen, want ze was een ochtendmens, stond
205 79| aan zijn kaartspel. Toen ze in de gaten kregen dat ze
206 79| ze in de gaten kregen dat ze niets uit hem konden krijgen,
207 79| konden krijgen, verklaarden ze het tijd om op te stappen
208 80| Ze stonden de volgende ochtend
209 81| bleef onzichtbaar. Omdat ze niet wisten wat ze moesten
210 81| Omdat ze niet wisten wat ze moesten doen, liepen ze
211 81| ze moesten doen, liepen ze maar wat om de koets heen.~
212 82| wat gewijzigd. Nu namen ze die hoer bijna kwalijk dat
213 82| die hoer bijna kwalijk dat ze de Pruis niet heimelijk
214 82| lucht van hebben gekregen? Ze had de schijn kunnen redden
215 85| voor hen uitstrekten leken ze zo vreselijk onheilspellend
216 87| plotseling of die `trut' ze nog lang ter plekke zou
217 87| altijd beleefd, zei dat ze van een vrouw een dergelijk
218 90| Dat was waar, dus hielden ze hun mond.~
219 95| officieren had gekend en ze dus met kennis van zaken
220 95| helemaal zo gek nog niet, ze betreurde zelfs dat hij
221 96| Toen ze eenmaal weer binnen waren
222 96| weer binnen waren wisten ze niet meer wat ze moesten
223 96| wisten ze niet meer wat ze moesten doen. Er vielen
224 97| volgende ochtend kwamen ze met vermoeide gezichten
225 98| in Yvetot werd opgevoed. Ze zag het maar eens per jaar
226 98| voor het hare opbloeien en ze wilde de ceremonie per se
227 99| Zodra ze weg was keek iedereen elkaar
228 99| elkaar te schuiven, want ze voelden wel dat ze uiteindelijk
229 99| want ze voelden wel dat ze uiteindelijk iets moesten
230 1 | mannen te doen, ik vind dat ze het recht niet heeft dat
231 1 | niet. Nou vraag ik jullie, ze heeft over zich heen gehad
232 1 | over zich heen gehad wat ze maar in Rouaan heeft kunnen
233 1 | worden geholpen, begint ze zich aan te stellen, die
234 2 | Carré-Lamadon begonnen te stralen en ze werd een beetje bleek, alsof
235 2 | een beetje bleek, alsof ze zich al met geweld door
236 4 | Ze zwoeren dus samen.~
237 5 | oppervlak bedekt, gaven ze zich volop over aan dat
238 6 | grappig leek het hele verhaal ze uiteindelijk. De graaf kwam
239 6 | maar zo mooi gezegd dat ze een glimlach tevoorschijn
240 6 | die hoer is, waarom zou ze dat dan aan de een weigeren
241 7 | vesting. Allemaal spraken ze de rol af die ze zouden
242 7 | spraken ze de rol af die ze zouden spelen, de argumenten
243 7 | spelen, de argumenten die ze zouden gebruiken, de manoeuvres
244 7 | gebruiken, de manoeuvres die ze moesten uitvoeren. Het plan
245 9 | zo gespannen aandacht had ze allen in haar greep dat
246 9 | allen in haar greep dat ze Reuzelpotje helemaal niet
247 9 | iedereen opkeek. Daar was ze dan. Ze zwegen plotseling
248 9 | opkeek. Daar was ze dan. Ze zwegen plotseling en een
249 9 | een zekere gêne weerhield ze er aanvankelijk van het
250 10| vertelde alles, de mensen, wat ze gedaan hadden, zelfs hoe
251 10| zelfs hoe de kerk eruitzag. Ze zei ook nog: `Het is zo
252 12| Zodra ze aan tafel zaten, begonnen
253 12| aan tafel zaten, begonnen ze haar aan te pakken. Eerst
254 12| generaals in haar bed haalde om ze daar tot slaafse onderdanigheid
255 17| De hele middag lieten ze haar erover nadenken. Maar
256 17| mevrouw' te noemen, zoals ze tot dan toe hadden gedaan,
257 17| toe hadden gedaan, noemden ze haar eenvoudigweg `juffrouw',
258 17| eigenlijk wist waarom, alsof ze haar een graadje wilden
259 17| zakken in de achting die ze zich had verworven, om haar
260 20| voorbedachten rade, omdat ze een vage behoefte voelde
261 20| moeiteloos die misstappen als ze zijn begaan voor de glorie
262 20| verstrooidheid of behulpzame domheid. Ze hadden gedacht dat ze verlegen
263 20| domheid. Ze hadden gedacht dat ze verlegen was, maar ze bleek
264 20| dat ze verlegen was, maar ze bleek onverschrokken, goed
265 20| Het offer van Abraham vond ze vanzelfsprekend, want zij
266 21| Daartoe vroeg ze: `Dus, zuster, u denkt dat
267 23| En zo gingen ze maar door, verklaarden Gods
268 24| zuster Sint-Nicephorus. Ze waren uitgenodigd naar Le
269 24| soldaten die de pokken hadden. Ze beschreef ze, die ongelukkige,
270 24| pokken hadden. Ze beschreef ze, die ongelukkige, omschreef
271 24| omschreef hun ziekte. En terwijl ze onderweg door de grillen
272 24| militairen te verzorgen. Ze was ook al naar de Krim
273 24| van haar veldtochten bleek ze plotseling een van die nonnen
274 26| Meteen na de maaltijd gingen ze snel naar de kamers om daar
275 27| middageten verliep rustig, ze gaven het gisteren gezaaide
276 31| verheerlijkte de dienst die zij ze zou bewijzen, had het over
277 33| Zodra ze thuis waren, ging ze naar
278 33| Zodra ze thuis waren, ging ze naar haar kamer en bleef
279 33| ongerustheid steeg ten top. Wat zou ze gaan doen? Wat een ellende
280 33| doen? Wat een ellende als ze zou blijven weigeren!~
281 34| Het etensuur brak aan, ze wachtten tevergeefs. Daarop
282 34| niet goed voelde en dat ze aan tafel konden gaan. Iedereen
283 40| Het duurde even voor ze het door hadden, maar daarna
284 40| hadden, maar daarna begonnen ze te glimlachen.~
285 43| van twijfelachtig allooi, ze amuseerden, en kwetsten
286 46| gingen zelfs zo ver dat ze hun lippen in die mousserende
287 46| mousserende wijn doopten die ze nog nooit hadden geproefd.
288 46| nog nooit hadden geproefd. Ze verklaarden dat hij op priklimonade
289 48| rond middernacht, toen ze uit elkaar wilden gaan,
290 51| plotseling dubbel en herhaalde: `Ze zijn te schunnig, beste
291 51| te schunnig, beste man, ze zijn veel te schunnig.'
292 51| dat begreep, vertelde hij ze de `geheimen van de gang'.
293 51| de ogen van het lachen. Ze konden het bijna niet geloven.~
294 59| En alledrie begonnen ze weer, ziek, buiten adem,
295 60| Daarop gingen ze uit elkaar. Maar mevrouw
296 60| brandnetel was, merkte toen ze gingen slapen tegen haar
297 60| Pruisisch is, ik zeg je dat ze dat helemaal niets uitmaakt.
298 61| onhoorbaar gekraak, en ze gingen zeker pas heel laat
299 61| Champagne heeft zo'n uitwerking. Ze zeggen dat hij de slaap
300 62| dampende paardenvijgen die ze uit elkaar krabden.~
301 64| slechts op Reuzelpotje. Ze verscheen.~
302 65| Ze leek wat verward, beschaamd.
303 65| wat verward, beschaamd. Ze liep verlegen op haar reisgenoten
304 65| van haar afwendden, alsof ze haar niet hadden gezien.
305 66| stomverbaasd staan. Daarop raapte ze al haar moed bij elkaar
306 66| onbeschoft hoofdknikje dat ze vergezeld deed gaan van
307 66| Iedereen leek druk doende en ze bleven op afstand van haar,
308 66| afstand van haar, alsof ze een infectie tussen haar
309 66| droeg. Vervolgens haastten ze zich naar de koets, waar
310 66| de plaats in te nemen die ze het eerste gedeelte van
311 67| Ze leken haar niet te zien,
312 69| slaan. Tegelijkertijd voelde ze zich verontwaardigd over
313 69| die buren en vernederd dat ze was gezwicht, zich had laten
314 69| die Pruis in wiens armen ze haar hadden gesmeten, dat
315 72| Zeker, ze is een van mijn vriendinnen.'~
316 74| door en door kunstenares. Ze zingt allerbevalligst en
317 77| steeds hoger tempo, waarbij ze hun vage gemompel verhaastten
318 77| gemompel verhaastten alsof ze een wedstrijd bidden hielden.
319 77| hielden. Af en toe kusten ze een penning, om zich dan
320 80| touwtje eromheen pakte, waar ze een stuk koud kalfsvlees
321 80| koud kalfsvlees uithaalde. Ze sneed het netjes in dunne,
322 81| maar doen,' zei de gravin. Ze kreeg toestemming en pakte
323 83| nergens aan kunnen denken. Ze keek geërgerd, stikkend
324 83| verkrampte haar aanvankelijk en ze deed de mond open om ze
325 83| ze deed de mond open om ze hun vet te geven met een
326 83| voor op de tong lagen. Maar ze kon geen woord uiten, zo
327 84| niemand dacht aan haar. Ze voelde zich verdrinken in
328 84| verwerpen. Daarop dacht ze aan haar grote mand vol
329 84| gespannen touw dat breekt, en ze stond op het punt te gaan
330 84| het punt te gaan huilen. Ze deed vreselijk haar best,
331 84| welving van haar boezem. Ze bleef kaarsrecht zitten,
332 84| bleek gelaat, hopend dat ze haar niet zouden zien.~
333 86| triomfantelijk en mompelde: `Ze beweent haar schande.'~
334 87| begonnen te bidden nadat ze de rest van hun worst in
335 89| beviel zijn buren allerminst. Ze werden zenuwachtig, geïrriteerd
336 91| Ze reden nu sneller, want de
337 91| woord te herinneren dat ze bij elke maat hoorden, of
338 91| bij elke maat hoorden, of ze wilden of niet.~
339 92| toe kwam een snik op die ze niet had kunnen onderdrukken,
|