Par.
1 5 | roerde, was naar huis gegaan. Haar wapens, haar uniformen,
2 5 | huis gegaan. Haar wapens, haar uniformen, al haar moordtuig
3 5 | wapens, haar uniformen, al haar moordtuig waarmee ze vroeger
4 11| als de gevestigde orde op haar kop wordt gezet, als er
5 11| huizen bedelft, de buiten haar oevers getreden rivier die
6 16| kreeg langzamerhand weer haar normale uiterlijk. De Fransen
7 48| Carré-Lamadon, veel jonger dan haar echtgenoot, was en bleef
8 49| Ze zat tegenover haar man, heel klein, heel knap,
9 49| heel knap, weggedoken in haar bont, en bekeek met een
10 50| Haar buren, graaf en gravin Hubert
11 51| adel welwillend tegenover haar en werd haar salon de eerste
12 51| welwillend tegenover haar en werd haar salon de eerste van de streek,
13 54| een was oud, met een in haar jeugd door de witte pokken
14 57| genoemd wordt, was beroemd om haar vroegtijdige corpulentie,
15 57| een enorme hals die onder haar jurk tevoorschijn kwam,
16 57| fris was ze om te zien. Haar gezicht leek op een rode
17 59| opkeek. Daarop wierp ze haar buren zo'n uitdagende en
18 59| vloer, behalve Loiseau die haar kennelijk geamuseerd opnam.~
19 60| kijkt altijd nogal neer op haar vrijere vakgenote.~
20 63| en het twee uur kostte om haar vrij te krijgen.~
21 68| keer alsof ze iets onder haar rokken zocht. Ze aarzelde
22 68| ogenblik, keek eens naar haar buren, kwam daarna weer
23 73| plotseling en trok onder haar bank een grote mand uit
24 75| Alle blikken waren op haar gericht. Daarop verspreidde
25 75| dames voor die hoer bereikte haar hoogtepunt, werd een soort
26 75| hoogtepunt, werd een soort zin haar te vermoorden, of haar uit
27 75| zin haar te vermoorden, of haar uit de koets te smijten,
28 75| te smijten, in de sneeuw, haar, haar timbaaltje, haar mand
29 75| smijten, in de sneeuw, haar, haar timbaaltje, haar mand en
30 75| haar, haar timbaaltje, haar mand en haar proviand.~
31 75| timbaaltje, haar mand en haar proviand.~
32 80| ook de beide zusters voor haar lichte maaltijd te delen.
33 81| later, na een kramp die haar door de darmen voer, zwichtte
34 81| zwichtte ze. Daarop vroeg haar man met veel bloemrijke
35 83| wit als de sneeuw buiten, haar ogen vielen dicht, haar
36 83| haar ogen vielen dicht, haar hoofd zakte naar voren,
37 83| ze was buiten bewustzijn. Haar man smeekte in paniek iedereen
38 83| Reuzelpotjes kroes duwde om haar een paar druppels wijn te
39 83| laten gebeuren, dwong de non haar een heel glas Bordeaux te
40 88| hoer niet opeten zonder met haar te praten. Dus werd er gekout,
41 91| groeide in de achting van haar reisgenoten die niet zoveel
42 91| Cornudet ontplooide toen hij haar beluisterde een goedkeurende
43 94| Met zijn tienen hadden ze haar moeiteloos geplunderd, slechts
44 95| Reuzelpotje huiveren, ondanks al haar vet. Daarop bood mevrouw
45 95| bood mevrouw De Bréville haar haar stoofje aan waarvan
46 95| mevrouw De Bréville haar haar stoofje aan waarvan het
47 1 | geregen als een meisje in haar korset, met tegen zijn zij
48 3 | als alle almachtigen, keek haar zonder te antwoorden aan.~
49 4 | zich trotser te tonen dan haar buren, de nette vrouwen,
50 15| Er ontstond beroering om haar heen, iedereen begon te
51 15| raden. De graaf kwam naar haar toe en zei: `U maakt een
52 16| met hem in, ze smeekten haar, drongen bij haar aan, bezwoeren
53 16| smeekten haar, drongen bij haar aan, bezwoeren haar, en
54 16| bij haar aan, bezwoeren haar, en ten slotte overtuigden
55 16| ten slotte overtuigden ze haar. Want ze waren allemaal
56 17| De gravin pakte haar hand en zei: `En wij zijn
57 18| Ze ging. Ze wachtten op haar met aan tafel gaan. Iedereen
58 22| vrouw hield geen ogenblik haar mond. Ze had het over al
59 22| mond. Ze had het over al haar indrukken bij de komst van
60 22| een hekel aan hen omdat ze haar geld kostten en in de tweede
61 23| Daarop dempte ze haar stem om gewaagde dingen
62 23| ter tafel te brengen en haar man onderbrak haar af en
63 23| brengen en haar man onderbrak haar af en toe door te zeggen: `
64 32| Cornudet in hemdsmouwen achter haar aan. Ze spraken zachtjes,
65 32| categorisch de toegang tot haar kamer te verdedigen. Helaas
66 34| ze boos, verhief nog meer haar stem en zei: `Waarom? Begrijp
67 35| hebben gewekt, want nadat hij haar slechts had gekust sloop
68 55| zwart als de tanden van haar meester, maar geurig, gebogen,
69 75| weigerde ze, maar al snel kreeg haar verontwaardiging de overhand: `
70 76| Cornudet brak zijn pul door haar hard op tafel terug te zetten.
71 76| deel van het offer dat van haar werd gevergd was gevraagd.
72 79| bij zonsopgang op, terwijl haar man een avondmens was, altijd
73 79| door te brengen. Hij riep haar toe: `Zet mijn kandeel maar
74 82| opzoeken om bij het ontwaken haar reisgenoten een aangename
75 82| zeggen dat hun ontreddering haar aan het hart ging. Voor
76 82| aan het hart ging. Voor haar maakte dat immers zo weinig
77 94| was rood geworden tot aan haar oren en de drie getrouwde
78 98| gedoopt zou worden, deed in haar hart een plotselinge, heftige
79 1 | te sterven. Het is toch haar vak, van die sloerie, om
80 3 | van de list. `We moeten haar overhalen,' zei hij.~
81 6 | te denken dat zij het in haar plaats hem minder zou weigeren
82 9 | aandacht had ze allen in haar greep dat ze Reuzelpotje
83 9 | aanvankelijk van het woord tot haar te richten. De gravin, meer
84 9 | dubbelhartigheid van salons, vroeg haar: `En was het leuk, dat doopsel?'~
85 11| ertoe vriendelijk tegen haar te zijn, om haar vertrouwen
86 11| vriendelijk tegen haar te zijn, om haar vertrouwen en haar inschikkelijkheid
87 11| zijn, om haar vertrouwen en haar inschikkelijkheid voor hun
88 12| tafel zaten, begonnen ze haar aan te pakken. Eerst ging
89 12| vijandelijke generaals in haar bed haalde om ze daar tot
90 15| een eeuwig opofferen van haar persoon, een voortdurende
91 17| De hele middag lieten ze haar erover nadenken. Maar in
92 17| nadenken. Maar in plaats van haar `mevrouw' te noemen, zoals
93 17| hadden gedaan, noemden ze haar eenvoudigweg `juffrouw',
94 17| eigenlijk wist waarom, alsof ze haar een graadje wilden laten
95 17| ze zich had verworven, om haar haar beschamende situatie
96 17| zich had verworven, om haar haar beschamende situatie te
97 20| van casuïstisch gemodder, haar leer leek een ijzeren balk,
98 20| leer leek een ijzeren balk, haar geloof wankelde nooit en
99 20| geloof wankelde nooit en haar geweten kende geen wroeging.
100 20| gekomen. Niets kon naar haar mening de Heer tegenstaan
101 20| van het heilig gezag van haar onverwachte medestandster
102 20| onverwachte medestandster en legde haar als het ware een stichtelijke
103 24| Elk woord van de non met haar kap sloeg een bres in de
104 24| rozenkransen over de huizen van haar orde, over haar moeder-overste,
105 24| huizen van haar orde, over haar moeder-overste, over zichzelf
106 24| moeder-overste, over zichzelf en over haar lieve buurvrouw, de geliefde
107 24| redden! Het was namelijk haar specialiteit om militairen
108 24| en bij het verhalen van haar veldtochten bleek ze plotseling
109 28| bij de arm en bleef met haar bij de anderen achter.~
110 29| Hij sprak haar toe op die vertrouwelijke,
111 29| dienstmeiden aanslaan, noemde haar: `mijn lieve kind', behandelde
112 29| lieve kind', behandelde haar uit de hoogte van zijn sociale
113 31| Hij benaderde haar met zachte hand, met redenering,
114 31| erkentelijkheid. Plotseling zei hij, haar vrolijk tutoyerend: `En
115 33| thuis waren, ging ze naar haar kamer en bleef daar. De
116 42| zichzelf had: `Hopelijk zien we haar nog terug. Hij laat haar
117 42| haar nog terug. Hij laat haar toch niet doodgaan, die
118 60| toen ze gingen slapen tegen haar man op, dat `die del' van
119 65| beschaamd. Ze liep verlegen op haar reisgenoten af die zich
120 65| af die zich en bloc van haar afwendden, alsof ze haar
121 65| haar afwendden, alsof ze haar niet hadden gezien. De graaf
122 65| bij de arm en verwijderde haar van die onzedelijke omgang.~
123 66| staan. Daarop raapte ze al haar moed bij elkaar en sprak
124 66| De aangesprokene groette haar slechts met een onbeschoft
125 66| ze bleven op afstand van haar, alsof ze een infectie tussen
126 66| alsof ze een infectie tussen haar rokken droeg. Vervolgens
127 67| Ze leken haar niet te zien, haar niet
128 67| leken haar niet te zien, haar niet te kennen. Maar mevrouw
129 67| Maar mevrouw Loiseau, die haar uit de verte verontwaardigd
130 67| enigszins gedempte stem tegen haar man: `Gelukkig zit ik niet
131 67| Gelukkig zit ik niet naast haar.'~
132 69| gesproken. Reuzelpotje durfde haar ogen niet op te slaan. Tegelijkertijd
133 69| Pruis in wiens armen ze haar hadden gesmeten, dat stelletje
134 83| de haast en de drukte van haar opstaan nergens aan kunnen
135 83| gewelddadige drift verkrampte haar aanvankelijk en ze deed
136 83| stroom scheldwoorden die haar voor op de tong lagen. Maar
137 83| zo verstikte de ergernis haar.~
138 84| Niemand keek haar aan, niemand dacht aan haar.
139 84| haar aan, niemand dacht aan haar. Ze voelde zich verdrinken
140 84| die eerzame schoften die haar eerst hadden opgeofferd,
141 84| eerst hadden opgeofferd, om haar daarna als iets smerigs
142 84| verwerpen. Daarop dacht ze aan haar grote mand vol heerlijke
143 84| gulzig hadden verslonden, aan haar twee kippen, glimmend van
144 84| glimmend van aspic, aan haar patés, haar peren, haar
145 84| van aspic, aan haar patés, haar peren, haar vier flessen
146 84| haar patés, haar peren, haar vier flessen Bordeaux. Haar
147 84| haar vier flessen Bordeaux. Haar woede week plotseling, als
148 84| huilen. Ze deed vreselijk haar best, zette zich schrap,
149 84| zette zich schrap, slikte haar snikken in zoals kinderen
150 84| op, maakten zich los uit haar ogen en rolden langzaam
151 84| en rolden langzaam over haar wangen. Andere volgden,
152 84| op de ronde welving van haar boezem. Ze bleef kaarsrecht
153 84| bleek gelaat, hopend dat ze haar niet zouden zien.~
154 85| merkte het en waarschuwde haar man met een teken. Hij trok
155 86| en mompelde: `Ze beweent haar schande.'~
|