Par.
1 42| elkaar de heer en mevrouw Loiseau te dommelen, wijnkooplui
2 43| Loiseau, voormalig klerk van een
3 44| voorgesteld `diefje met Loiseau' te spelen. Dat werd doorverteld
4 45| Loiseau stond bovendien bekend om
5 45| Een kostelijke vent, die Loiseau.'~
6 59| keek naar de vloer, behalve Loiseau die haar kennelijk geamuseerd
7 61| dan eens had gezorgd. Wat Loiseau betreft, hem was het gelukt
8 66| uur 's middags verklaarde Loiseau dat hij toch wel een aardig
9 68| bleek en stonden gespannen. Loiseau beweerde dat hij wel duizend
10 71| weigerden koeltjes. Alleen Loiseau wilde wel een slokje en
11 76| Maar Loiseau verslond de terrine met
12 81| kauwden, verslonden gretig. Loiseau deed in zijn hoekje zijn
13 81| ze hem toestond mevrouw Loiseau een stukje aan te bieden.
14 85| bang te ver te zijn gegaan. Loiseau nam het woord: `Wis en waarachtig,
15 88| charmant. Maar de grote mevrouw Loiseau, met de ziel van een politieagent,
16 95| De dames Carré-Lamadon en Loiseau gaven de hunne aan de nonnen.~
17 97| Reuzelpotje en Cornudet, en Loiseau, wiens blik de duisternis
18 3 | zijn vrouw, daarna door Loiseau die zijn omvangrijke wederhelft
19 21| cider was goed, de familie Loiseau en de nonnen namen er wat
20 29| Maar Loiseau stond van zijn plaats op
21 31| Maar Loiseau, die goed had opgelet, liet
22 32| verdedigen. Helaas hoorde Loiseau de woorden niet maar toen
23 36| Loiseau verwijderde zich uitermate
24 40| liever op in de herberg. Loiseau grapte: `Ze herbevolken.'
25 56| Loiseau ging, onder het voorwendsel
26 61| Loiseau voegde zich bij de twee
27 71| voor arm, heel arm zelfs. Loiseau maakte zijn horlogeketting
28 71| het eten, stelde mevrouw Loiseau een partijtje eenendertigen
29 72| Cornudet merkte dat de familie Loiseau samenspande om vals te spelen.~
30 87| Loiseau, die de situatie wel begreep,
31 88| eens gingen lopen,' zei Loiseau.~
32 93| hoeden af te nemen, hoewel Loiseau aanstalten maakte zijn hoofddeksel
33 99| iets moesten ondernemen. Loiseau kreeg een idee. Hij was
34 1 | temperament van mevrouw Loiseau de kop op: `We zijn toch
35 3 | staken de koppen bij elkaar. Loiseau, woest als hij was, wilde `
36 6 | Op zijn beurt debiteerde Loiseau een paar straffere schunnigheden
37 20| de coalitie wat scheuren. Loiseau formuleerde drie ongelukkige
38 36| straalde van de gezichten. Loiseau riep uit: `Sapperloot! Ik
39 37| Mevrouw Loiseau kreeg het behoorlijk te
40 38| Plotseling brulde Loiseau, met een benard gezicht
41 45| Loiseau, die de hoogte had, stond
42 47| Loiseau vatte de situatie samen
43 48| gaan, tikte een wankele Loiseau hem plotseling op de buik
44 51| verkilling. Een stomverbaasde Loiseau bleef met open mond staan.
45 58| buik met twee handen vast. Loiseau vervolgde: `Dus jullie begrijpen
46 60| uit elkaar. Maar mevrouw Loiseau, die een geboren brandnetel
47 67| te kennen. Maar mevrouw Loiseau, die haar uit de verte verontwaardigd
48 76| Loiseau, die het oude kaartspel
49 79| Na drie uur reizen pakte Loiseau zijn kaarten bij elkaar
50 86| Mevrouw Loiseau lachte onhoorbaar maar triomfantelijk
|