Part
1 I | toch eens vertellen,' zei ik tegen Labarbe, `nu heb je
2 I | nog aan toe, waarom heb ik jou nou nooit over Morin
3 I | wel uit La Rochelle?'~ Ik moest toegeven dat ik niets
4 I | Ik moest toegeven dat ik niets wist van dat verhaal
5 I | hebben. En misschien moet ik alleen maar lef hebben.
6 I | doet het er ook toe? Ja, ik heb niet genoeg lef, dat
7 I | zielen, als we dat konden! Ik durf te wedden dat je alle
8 I | kijk nou eens naar mij, ben ik niet betoverend? En jij
9 I | der wanhoop: Jammer dan, ik zet alles op alles. En plotseling,
10 II | II~ Ik was destijds hoofdredacteur
11 II | Fanal des Charentes. En ik zag Morin elke avond in
12 II | niet wist wat hij moest. Ik verheelde hem mijn mening
13 II | hem niet meer groetten. Ik kreeg ten slotte medelijden
14 II | mijn vrienden behoorde. Ik stuurde Morin naar huis
15 II | naar die magistraat.~ Ik hoorde dat de lastiggevallen
16 II | elkaar zien te krijgen.~ Ik ging weer naar Morin. Ik
17 II | Ik ging weer naar Morin. Ik vond hem in bed, ziek van
18 II | haar vuisten in haar zij. Ik legde de situatie uit, hij
19 II | zou gevoelig liggen, maar ik nam haar aan. De arme donder
20 II | donder zei de hele tijd: "Ik verzeker je dat ik haar
21 II | tijd: "Ik verzeker je dat ik haar niet eens heb gekust,
22 II | gekust, nee, niet eens. Ik verzeker het je!"~ Ik
23 II | Ik verzeker het je!"~ Ik antwoordde: "Dat maakt niet
24 II | bent toch een varken." En ik nam de duizend frank die
25 II | inzicht te besteden.~ Omdat ik me niet alleen in dat huis
26 II | familie wilde wagen, vroeg ik Rivet mee te gaan. Hij stemde
27 II | opendoen. Dat was haar, vast. Ik zei zachtjes tegen Rivet: "
28 II | tegen Rivet: "Sakkerloot, ik begin Morin te snappen."~
29 II | fluisterde me in het oor: "Ik denk dat we de zaak van
30 II | Het nichtje was weg en ik sneed de delicate kwestie
31 II | de delicate kwestie aan. Ik zwaaide met het schrikbeeld
32 II | schrikbeeld van een schandaal, ik wees hem op de onvermijdelijk
33 II | triomfkreet en zei: "Wacht even, ik heb een prima idee. Ik laat
34 II | ik heb een prima idee. Ik laat u gewoon niet gaan,
35 II | laat u gewoon niet gaan, ik houd u hier. U blijft hier
36 II | mijn vrouw terugkomt, hoop ik dat we tot overeenstemming
37 II | over politiek te praten. Ik van mijn kant bleef al snel
38 II | eindeloze omzichtigheid sneed ik haar avontuur aan, in een
39 II | kostelijk vermaakt.~ Ik zei haar: "Bedenkt u nu
40 II | is waar! Maar wat wilt u? Ik werd bang en als je bang
41 II | redeneer je niet meer. Toen ik de situatie eenmaal begreep,
42 II | situatie eenmaal begreep, had ik spijt van mijn kreten, maar
43 II | als van een waanzinnige. Ik wist niet eens wat hij moest."~
44 II | verlegen door te worden. Ik zei bij mezelf: Dit is een
45 II | Dit is een vrolijke meid, ik kan me voorstellen dat dat
46 II | zich vergist heeft.~ Ik vervolgde schertsend: "Kijk
47 II | zij het weinig duidelijk. Ik vroeg dus op de man af: "
48 II | hetzelfde."~ Dat wist ik natuurlijk ook wel, dat
49 II | in het hele gewest werd ik "de mooie Labarbe" genoemd.
50 II | mooie Labarbe" genoemd. Ik was toen dertig, maar ik
51 II | Ik was toen dertig, maar ik vroeg: "Hoe dat zo?"~
52 II | om mij te ontwijken, had ik haar een stevige pakkerd
53 II | niet weer beginnen."~ Ik deed heel nederig en zei
54 II | het mij vraagt, dan heb ik maar één diep verlangen
55 II | vroeg zij: "Hoe dat zo?" Ik keek haar ernstig en diep
56 II | nog niet uitgesproken, of ik had haar in mijn armen en
57 II | kussen op alle plekken, waar ik maar kon, op haar haren,
58 II | los. "U bent grof meneer, ik krijg er spijt van naar
59 II | hebben geluisterd."~ Ik pakte enigszins verward
60 II | niet kwalijk, juffrouw. Ik heb u gekwetst. Ik ben veel
61 II | juffrouw. Ik heb u gekwetst. Ik ben veel te hard van stapel
62 II | wist..." Vergeefs zocht ik naar een verontschuldiging.~
63 II | Na een ogenblik zei ze: "Ik hoef niets te weten, meneer."~
64 II | weten, meneer."~ Maar ik had het gevonden, ik riep
65 II | Maar ik had het gevonden, ik riep uit: "Juffrouw, ik
66 II | ik riep uit: "Juffrouw, ik bemin u al een jaar!"~
67 II | werkelijk verrast en keek op. Ik vervolgde: "Ja zeker, juffrouw,
68 II | zeker, juffrouw, luister. Ik ken Morin niet en hij kan
69 II | gerecht moet verschijnen. Ik heb u hier vorig jaar gezien,
70 II | stond daar, voor het hek. Ik heb een schok gevoeld toen
71 II | heb een schok gevoeld toen ik u zag en uw beeld heeft
72 II | niet, het doet er niet toe. Ik vond u aanbiddelijk, de
73 II | liet me niet meer met rust, ik heb geprobeerd u terug te
74 II | geprobeerd u terug te zien en ik heb dat beest van een Morin
75 II | Morin aangewend, en hier ben ik dan. De omstandigheden hebben
76 II | niet kwalijk, dat smeek ik u, vergeef me."~ Zij
77 II | mompelde: "Grappenmaker."~ Ik stak mijn hand op en zei
78 II | en zei op oprechte toon (ik geloof zelfs dat ik dat
79 II | toon (ik geloof zelfs dat ik dat was): "Ik zweer u dat
80 II | zelfs dat ik dat was): "Ik zweer u dat ik niet lieg."~
81 II | dat was): "Ik zweer u dat ik niet lieg."~ Ze zei alleen
82 II | in de kronkelige lanen. Ik legde vervolgens een echte
83 II | daarbij drukte en kuste ik haar vingers. Ze luisterde
84 II | ervan moest geloven.~ Ik voelde me ten slotte verward,
85 II | verward, door te denken wat ik zei, ik was bleek, bedrukt,
86 II | door te denken wat ik zei, ik was bleek, bedrukt, huiverig,
87 II | huiverig, en voorzichtig nam ik haar bij het middel.~
88 II | haar bij het middel.~ Ik sprak heel zachtjes in die
89 II | drukte die, langzaam omsloot ik haar middel in een bevende
90 II | zich nu helemaal niet meer. Ik raakte met mijn mond haar
91 II | langer geduurd hebben als ik niet "hm! hm!" had gehoord,
92 II | door een bloemperk vandoor. Ik draaide me om en zag Rivet
93 II | Verwaand antwoordde ik: "Ik roei met de riemen
94 II | Verwaand antwoordde ik: "Ik roei met de riemen die ik
95 II | Ik roei met de riemen die ik heb, beste. En de oom? Wat
96 II | jij voor elkaar gekregen? Ik sta wel in voor de nicht."~
97 II | Rivet verklaarde: "Ik heb met die oom niet zoveel
98 II | zoveel geluk gehad."~ En ik pakte hem bij de arm om
99 III| helemaal op hol gebracht. Ik zat naast haar en mijn hand
100 III| wandeling in de maneschijn en ik fluisterde haar alle tederheden
101 III| me opkwamen in de ziel. Ik hield haar strak tegen me
102 III| alleen met me was, pakte ik haar weer in mijn armen,
103 III| bezwijken, vluchtte ze weg.~ Ik glipte tussen de lakens,
104 III| en zeer bedremmeld, want ik wist dondersgoed dat ik
105 III| ik wist dondersgoed dat ik amper zou slapen, doordat
106 III| amper zou slapen, doordat ik de hele tijd zou liggen
107 III| liggen nadenken over wat ik voor stoms had gedaan, toen
108 III| mijn deur werd geklopt.~ Ik vroeg: "Wie is daar?"~
109 III| zachte stem antwoordde: "Ik ben het."~ Ik kleedde
110 III| antwoordde: "Ik ben het."~ Ik kleedde me snel aan, deed
111 III| open, en zij kwam binnen. "Ik ben vergeten," sprak ze, "
112 III| chocola, thee of koffie?"~ Ik had haar al onstuimig omhelsd,
113 III| liefkozingen en stotterde: "Ik wil... ik wil... ik wil..."
114 III| en stotterde: "Ik wil... ik wil... ik wil..." Maar ze
115 III| stotterde: "Ik wil... ik wil... ik wil..." Maar ze glipte onder
116 III| kaars uit en verdween.~ Ik bleef woest alleen achter,
117 III| die niet. Eindelijk vond ik er en ging de gang op, half
118 III| in de hand.~ Wat moest ik nou doen? Redeneren kon
119 III| nou doen? Redeneren kon ik niet meer, ik wilde haar
120 III| Redeneren kon ik niet meer, ik wilde haar vinden, ik wilde
121 III| meer, ik wilde haar vinden, ik wilde haar. Ik deed gedachteloos
122 III| haar vinden, ik wilde haar. Ik deed gedachteloos een paar
123 III| paar stappen. Toen dacht ik plotseling: Maar als ik
124 III| ik plotseling: Maar als ik bij oom binnenstap? Wat
125 III| oom binnenstap? Wat moet ik dan zeggen? En ik bleef
126 III| Wat moet ik dan zeggen? En ik bleef stokstijf staan, met
127 III| antwoord: Wel verdorie, ik zeg gewoon dat ik de kamer
128 III| verdorie, ik zeg gewoon dat ik de kamer van Rivet zocht
129 III| hem te bespreken.~ En ik begon de deuren te inspecteren
130 III| deuren te inspecteren waarbij ik mijn best deed de hare te
131 III| van haar persoonlijk. Maar ik vond geen enkele aanwijzing.
132 III| aanwijzing. Op goed geluk pakte ik een knop vast, die ik omdraaide.
133 III| pakte ik een knop vast, die ik omdraaide. Ik deed de deur
134 III| vast, die ik omdraaide. Ik deed de deur open, ik ging
135 III| omdraaide. Ik deed de deur open, ik ging naar binnen... Henriette
136 III| kijken.~ Vervolgens schoof ik voorzichtig de grendel voor,
137 III| voorzichtig de grendel voor, ik liep op mijn tenen naar
138 III| tenen naar haar toe en zei: "Ik ben vergeten, juffrouw,
139 III| Ze verweerde zich, maar ik had al snel het boek dat
140 III| had al snel het boek dat ik zocht opengeslagen. Ik zal
141 III| dat ik zocht opengeslagen. Ik zal de titel niet noemen.
142 III| goddelijkste gedicht dat ik ooit heb gelezen.~ Toen
143 III| vrijuit doorbladeren, en ik las zoveel hoofdstukken
144 III| haar te hebben bedankt ging ik op kousenvoeten naar mijn
145 III| persoonlijk een kop chocola. Ik heb nog nooit zulke lekkere
146 III| geparfumeerd, bedwelmend. Ik kon mijn mond niet van de
147 III| trokken hun klacht in, en ik zou vijfhonderd frank in
148 III| hoofd van "ja, blijf toch". Ik accepteerde, maar Rivet
149 III| stond erop te gaan.~ Ik nam hem onder vier ogen,
150 III| nam hem onder vier ogen, ik bad en ik smeekte, ik zei: "
151 III| onder vier ogen, ik bad en ik smeekte, ik zei: "Toe nou,
152 III| ogen, ik bad en ik smeekte, ik zei: "Toe nou, Rivetje,
153 III| paar keer in mijn gezicht: "Ik heb er genoeg van, hoor
154 III| van dat varken Morin."~ Ik was dus wel gedwongen ook
155 III| ogenblikken van mijn leven. Ik had die zaak best gedurende
156 III| bij wijze van vaarwel, zei ik tegen Rivet: "Je bent een
157 III| van de Fanal kwamen, zag ik dat er een menigte ons stond
158 III| zijn benen ervan schudden. Ik zei: "Het is geregeld, klootzak,
159 III| Wat mij betreft, toen ik me in 1875 ging aanmelden
160 III| als afgevaardigde, moest ik in verband daarmee een bezoek
161 III| me niet?" vroeg ze.~ Ik stamelde: "Eh... nee...
162 III| Henriette Bonnel."~ "Ach!" En ik voelde me verbleken.~
163 III| hebben en zei: "Beste meneer, ik heb u al heel lang graag
164 III| het zo vaak over u gehad. Ik weet het... ja, ik weet
165 III| gehad. Ik weet het... ja, ik weet in wat voor pijnlijke
166 III| haar hebt leren kennen, ik weet ook hoe voorbeeldig
|