Part
1 I | me aan met ogen als van een katuil. `Hoe dat zo, ken
2 I | herinnert je ook nog dat hij een grote galanteriewinkel had
3 I | aanvullen. Je weet wat voor een handelaar uit de provincie
4 I | voorstellingen, geritsel van vrouwen, een voortdurende prikkeling
5 I | aanraken. Amper proef je een paar keer wat minderwaardige
6 I | de ziel geprikkeld, met een soort kriebel van kussen
7 I | verkeerde in die staat toen hij een kaartje naar La Rochelle
8 I | plotseling bleef staan voor een jonge vrouw die een oude
9 I | voor een jonge vrouw die een oude dame kuste. Ze had
10 I | verrukt: "Drommels, dat is een mooie meid!"~ Toen ze
11 I | steeds. Daarna stapte ze in een lege wagon, en Morin volgde
12 I | zijn blikken op. Ze leek een jaar of twintig, was blond,
13 I | van uiterlijk. Ze rolde een reisdeken om haar benen
14 I | spoorromances. Dit is er misschien een die zich aandient. Wie weet?
15 I | gaan. Toch zou zij maar een gebaar hoeven te maken om
16 I | leiden. Hij stelde zich een ridderlijke kennismaking
17 I | die hij haar kon bewijzen, een levendige, hoffelijke conversatie
18 I | conversatie die zou uitlopen op een verklaring die zou uitlopen
19 I | steeds aan ontbrak, dat was een opening, een aanleiding.
20 I | ontbrak, dat was een opening, een aanleiding. En hij wachtte
21 I | aanleiding. En hij wachtte op een gelukkige omstandigheid,
22 I | zon haar eerste straal, een lange, heldere straal vanaf
23 I | glimlachte. Ze glimlachte als een gelukkige vrouw, uitnodigend
24 I | hem, dat was wel degelijk een subtiele uitnodiging, het
25 I | ben jij naïef om daar als een paal sinds gisteravond op
26 I | betoverend? En jij blijft een hele nacht zo zitten, vlak
27 I | nacht zo zitten, vlak bij een mooie vrouw zonder iets
28 I | kluts kwijt, zocht naar een passend woord, een compliment,
29 I | naar een passend woord, een compliment, kortom, iets
30 I | probeerde te springen, terwijl een dodelijk geschrokken Morin,
31 I | die avond naar huis, met een gerechtelijke vervolging
32 II | mijn mening niet: "Jij bent een varken. Zo gedraag je je
33 II | medewerker Rivet erbij, een spotziek en levenswijs mannetje,
34 II | de lastiggevallen vrouw een jonge dame was, ene juffrouw
35 II | op maakte, was dat de oom een aanklacht had ingediend.
36 II | en verdriet. Zijn vrouw, een grote, knokige en bebaarde
37 II | maakt niet uit, je bent toch een varken." En ik nam de duizend
38 II | stonden we voor de deur van een mooi landhuis. Een knappe
39 II | deur van een mooi landhuis. Een knappe jonge meid kwam ons
40 II | geabonneerd op de Fanal en een overtuigd politiek medestander
41 II | met het schrikbeeld van een schandaal, ik wees hem op
42 II | verduren na het gerucht van een dergelijke affaire, want
43 II | want niemand zou ooit aan een eenvoudig kusje geloven.~
44 II | Plotseling slaakte hij een triomfkreet en zei: "Wacht
45 II | zei: "Wacht even, ik heb een prima idee. Ik laat u gewoon
46 II | riep zijn nichtje en stelde een wandeling door zijn tuin
47 II | mijn kant bleef al snel een paar passen achter, naast
48 II | ik haar avontuur aan, in een poging haar aan mijn zijde
49 II | dat die imbeciel zich als een woesteling op me wierp,
50 II | woesteling op me wierp, zonder een woord te zeggen, met een
51 II | een woord te zeggen, met een gezicht als van een waanzinnige.
52 II | met een gezicht als van een waanzinnige. Ik wist niet
53 II | Ik zei bij mezelf: Dit is een vrolijke meid, ik kan me
54 II | natuurlijk niet tegenover een zo knap vrouwspersoon als
55 II | lelijk."~ Voordat ze een beweging had kunnen doen
56 II | te ontwijken, had ik haar een stevige pakkerd op de wang
57 II | verlangen en dat is om voor een rechtbank te verschijnen
58 II | in de ogen.~ "Omdat u een van de mooiste schepsels
59 II | bestaan, omdat het voor mij een getuigschrift, een titel,
60 II | voor mij een getuigschrift, een titel, een eer zou zijn,
61 II | getuigschrift, een titel, een eer zou zijn, u met geweld
62 II | harte te lachen.~ "U bent een grapjes." En ze had het
63 II | hoofd, waarvan ze door in een onwillekeurige beweging
64 II | onwillekeurige beweging een hoekje bedekte om de rest
65 II | Vergeefs zocht ik naar een verontschuldiging.~ Na
66 II | verontschuldiging.~ Na een ogenblik zei ze: "Ik hoef
67 II | Juffrouw, ik bemin u al een jaar!"~ Ze was werkelijk
68 II | daar, voor het hek. Ik heb een schok gevoeld toen ik u
69 II | en ik heb dat beest van een Morin aangewend, en hier
70 II | lanen. Ik legde vervolgens een echte verklaring af, lang,
71 II | omsloot ik haar middel in een bevende en steeds steviger
72 II | zoeken de hare. Het werd een lange, lange kus en hij
73 II | niet "hm! hm!" had gehoord, een paar passen achter me.~
74 II | Ze ging er dwars door een bloemperk vandoor. Ik draaide
75 III| Vervolgens maakten we nog een wandeling in de maneschijn
76 III| Het duurde niet lang of een telegraafbeambte bracht
77 III| telegraafbeambte bracht een telegram van de tante waarin
78 III| vroeg: "Wie is daar?"~ Een zachte stem antwoordde: "
79 III| haar. Ik deed gedachteloos een paar stappen. Toen dacht
80 III| hoofd en kloppend hart. Na een paar seconden kwam het antwoord:
81 III| Op goed geluk pakte ik een knop vast, die ik omdraaide.
82 III| kousenvoeten naar mijn kamer, toen een harde hand mij staande hield.
83 III| hand mij staande hield. En een stem, die van Rivet, fluisterde
84 III| bracht ze me persoonlijk een kop chocola. Ik heb nog
85 III| zulke lekkere gedronken. Een chocola om voor te sterven,
86 III| de dag. Ze zouden zelfs een uitstapje organiseren om
87 III| hij leek getergd en zei een paar keer in mijn gezicht: "
88 III| gedwongen ook te gaan. Het was een van de moeilijkste ogenblikken
89 III| ik tegen Rivet: "Je bent een bruut." Hij antwoordde: "
90 III| Fanal kwamen, zag ik dat er een menigte ons stond op te
91 III| Die zat onderuitgezakt in een stoel, met mosterdpleisters
92 III| hij hoestte voortdurend, een zieltogend hoestje, zonder
93 III| bekeek hem met de ogen van een tijgerin die hem wilde verslinden.~
94 III| handen, kuste ze alsof ze van een prins waren, huilde, viel
95 III| mevrouw Morin, die hem met een flinke zet in zijn stoel
96 III| titel verwondde hem als een zwaardslag, telkens als
97 III| hij hem hoorde.~ Als een bengel op straat "varken"
98 III| moest ik in verband daarmee een bezoek afleggen bij de nieuwe
99 III| Tousserre, meester Belloncle. Een grote, gezette en mooie
100 III| toen zachter, alsof hij een vies woord moest uitspreken: "
|