Part
1 II | gezicht te schreeuwen: "U komt voor dat varken Morin?
2 II | een prima idee. Ik laat u gewoon niet gaan, ik houd
3 II | gewoon niet gaan, ik houd u hier. U blijft hier allebei
4 II | niet gaan, ik houd u hier. U blijft hier allebei eten
5 II | Ik zei haar: "Bedenkt u nu eens, juffrouw, al die
6 II | juffrouw, al die ellende die u krijgt. U moet voor de rechtbank
7 II | die ellende die u krijgt. U moet voor de rechtbank verschijnen,
8 II | gezegd en gezwegen, had u er niet beter aan gedaan
9 II | Ze begon te lachen. "Wat u zegt is waar! Maar wat wilt
10 II | zegt is waar! Maar wat wilt u? Ik werd bang en als je
11 II | toen was het al te laat. U moet zich ook bedenken dat
12 II | zo knap vrouwspersoon als u komen te zitten zonder de
13 II | begeerte te voelen opkomen u te zoenen."~ Ze begon
14 II | man af: "Nou ja, als ík u hier en nu zou zoenen, wat
15 II | en nu zou zoenen, wat zou u dan doen?"~ Ze bleef
16 II | vervolgens doodkalm: "O, maar met u is het niet hetzelfde."~
17 II | antwoordde: "Nou ja, omdat u niet zo stom bent als hij."
18 II | laat. Daarop zei ze: "Zo, u laat er anders ook geen
19 II | Maar dat spelletje moet u niet weer beginnen."~
20 II | gedempte stem: "O juffrouw, als u het mij vraagt, dan heb
21 II | diep in de ogen.~ "Omdat u een van de mooiste schepsels
22 II | titel, een eer zou zijn, u met geweld te hebben begeerd.
23 II | hebben begeerd. Want na u te hebben gezien zou iedereen
24 II | ganser harte te lachen.~ "U bent een grapjes." En ze
25 II | zich rood en gekwetst los. "U bent grof meneer, ik krijg
26 II | krijg er spijt van naar u te hebben geluisterd."~
27 II | hand en stamelde: "Neemt u mij niet kwalijk, neemt
28 II | mij niet kwalijk, neemt u mij niet kwalijk, juffrouw.
29 II | kwalijk, juffrouw. Ik heb u gekwetst. Ik ben veel te
30 II | Duid me dat niet euvel. Als u eens wist..." Vergeefs zocht
31 II | uit: "Juffrouw, ik bemin u al een jaar!"~ Ze was
32 II | moet verschijnen. Ik heb u hier vorig jaar gezien,
33 II | hier vorig jaar gezien, u stond daar, voor het hek.
34 II | een schok gevoeld toen ik u zag en uw beeld heeft me
35 II | doet er niet toe. Ik vond u aanbiddelijk, de herinnering
36 II | aanbiddelijk, de herinnering aan u liet me niet meer met rust,
37 II | rust, ik heb geprobeerd u terug te zien en ik heb
38 II | schreef doen gaan, neemt u mij niet kwalijk, dat smeek
39 II | niet kwalijk, dat smeek ik u, vergeef me."~ Zij vermoedde
40 II | dat ik dat was): "Ik zweer u dat ik niet lieg."~ Ze
41 III| ben vergeten," sprak ze, "u te vragen wat u 's morgens
42 III| sprak ze, "u te vragen wat u 's morgens gebruikt: chocola,
43 III| ben vergeten, juffrouw, u te iets te lezen te vragen."
44 III| ontving me.~ "Herkent u me niet?" vroeg ze.~
45 III| zei: "Beste meneer, ik heb u al heel lang graag willen
46 III| vrouw heeft het zo vaak over u gehad. Ik weet het... ja,
47 III| pijnlijke omstandigheden u haar hebt leren kennen,
48 III| weet ook hoe voorbeeldig u bent geweest, zo fijngevoelig,
|