Part
1 I | duizend plannen kwamen hem voor de geest. Hij zei bij
2 I | niet genoeg lef, dat is het hem. O, als we eens wisten te
3 I | denkt.~ Maar waar het hem nog steeds aan ontbrak,
4 I | meer aan, die glimlach gold hem, dat was wel degelijk een
5 I | glimlachte nog steeds en keek hem aan, ze begon zelfs te lachen.
6 II | hij moest. Ik verheelde hem mijn mening niet: "Jij bent
7 II | te huilen, zijn vrouw had hem geslagen. En hij zag zijn
8 II | verontwaardigde vrienden die hem niet meer groetten. Ik kreeg
9 II | ten slotte medelijden met hem en riep mijn medewerker
10 II | weer naar Morin. Ik vond hem in bed, ziek van emotie
11 II | knokige en bebaarde kenau, zat hem constant op zijn kop. Ze
12 II | van een schandaal, ik wees hem op de onvermijdelijk ongunstige
13 II | gehad."~ En ik pakte hem bij de arm om naar binnen
14 III| zocht om iets urgents met hem te bespreken.~ En ik
15 III| erop te gaan.~ Ik nam hem onder vier ogen, ik bad
16 III| opgelopen. Zijn vrouw bekeek hem met de ogen van een tijgerin
17 III| ogen van een tijgerin die hem wilde verslinden.~ Zodra
18 III| zelfs mevrouw Morin, die hem met een flinke zet in zijn
19 III| die slag, de emotie was hem te machtig geworden.~
20 III| en die titel verwondde hem als een zwaardslag, telkens
21 III| zwaardslag, telkens als hij hem hoorde.~ Als een bengel
22 III| Zijn vrienden bestookten hem met de vreselijkste pesterijen
23 III| als ze ham aten vroegen ze hem: "Komt die van jou?"~
|