Part
1 I | moeten aanvullen. Je weet wat voor een handelaar uit de
2 I | Amper proef je een paar keer wat minderwaardige gerechten.
3 I | was, dan is het Mirabeau2. Wat doet het er ook toe? Ja,
4 I | die zou uitlopen op... op wat jij denkt.~ Maar waar
5 I | kortom, iets te zeggen, wat dan ook. Maar hij vond niets,
6 II | opzoeken, omdat hij niet wist wat hij moest. Ik verheelde
7 II | brave burgers in Mauzé.~ Wat Morins situatie er moeilijker
8 II | Ze begon te lachen. "Wat u zegt is waar! Maar wat
9 II | Wat u zegt is waar! Maar wat wilt u? Ik werd bang en
10 II | waanzinnige. Ik wist niet eens wat hij moest."~ Ze keek
11 II | u hier en nu zou zoenen, wat zou u dan doen?"~ Ze
12 II | nieuws, zonder goed te weten wat ze ervan moest geloven.~
13 II | verward, door te denken wat ik zei, ik was bleek, bedrukt,
14 II | ik heb, beste. En de oom? Wat heb jij voor elkaar gekregen?
15 III| zou liggen nadenken over wat ik voor stoms had gedaan,
16 III| sprak ze, "u te vragen wat u 's morgens gebruikt: chocola,
17 III| kandelaar in de hand.~ Wat moest ik nou doen? Redeneren
18 III| als ik bij oom binnenstap? Wat moet ik dan zeggen? En ik
19 III| Rivet kwam binnen. Hij leek wat zenuwachtig, geïrriteerd
20 III| jaar later stierf hij.~ Wat mij betreft, toen ik me
21 III| weet het... ja, ik weet in wat voor pijnlijke omstandigheden
|